Paul de Wispelaere krijgt  in 1998 de Prijs der Nederlandse Letteren uit handen van koningin Beatrix.
Paul de Wispelaere krijgt in 1998 de Prijs der Nederlandse Letteren uit handen van koningin Beatrix. © ANP

Schrijver Paul de Wispelaere overleden: vertellen gaf zijn leven glans

Postuum Paul de Wispelaere (1928-2016)

'Denken aan je eigen begrafenis is denken aan het onvoorstelbare', schreef de vrijdag overleden Vlaamse auteur Paul de Wispelaere in zijn roman En de liefste dingen nog verder uit 1998. Hij had het over een schrijver die de dood krijgt aangezegd.

Wie zullen er voor de open groeve staan? 'Ik wil opgenomen worden in de aarde waar ik van gehouden heb. Het moet regenen die dag, het water sijpelt van jassen en paraplu's'. Oktoberweer, de mooiste maand van het jaar; elk boek van De Wispelaere begint in oktober.

De Wispelaere, 88 geworden, was een zomerkind, geboren op 4 juli 1928 in het landelijke Assebroek bij Brugge, verwekt in oktober 'met een blijvende behoefte aan zon', en diep in hem het teken van de herfst. Bescheiden zei hij altijd: 'Ik ben in Vlaanderen een halve Hollander, in Holland eentje uit Vlaanderen.' Zijn grootvader kwam uit Ouderkerk aan de Amstel, een zoon van een hovenier die naar Brugge kwam om er zich te bekwamen in de laurierkweek; hij bleef er en trouwde een Brugs meisje - De Wispelaeres grootmoeder. Zijn vader, die in veel van zijn boeken ter sprake komt, was wagenmaker; hij had een smidse in Assebroek, het was een ambachtelijke wereld. Zijn moeder, uit de  kleine Brugse burgerij, sprak Brugs en Frans; ze wilde in de stad wonen, niet in een boerendorp. Dat dilemma werd een van de belangrijkste thema's van De Wispelaeres oeuvre, zijn 'verdrijving uit het paradijs', een wegkwijnende wereld.

Herinneringen vervagen, je leven dooft uit, het alfabet is verkoold en de letters smaken uiteindelijk naar as

Hij studeerde Germaanse filologie in Gent en promoveerde in 1974 op een onderzoek naar Dirk Coster en het tijdschrift De Stem. De Wispelaere werd hoogleraar moderne Nederlandse letteren en doceerde twintig jaar aan de Universiteit van Antwerpen. Jarenlang was hij literair criticus van Het Vaderland, redacteur van tal van literaire tijdschriften: De Tafelronde, De Vlaamse Gids, het Nieuw Vlaams Tijdschriften het Nieuw Wereldtijdschrift.

De Wispelaere maakte deel uit van literaire kringen en tal van gezelschappen. Hij zetelde ook in veel jury's: de Reina Prinsen Geerligs-prijs, de Jan Campert-prijs en de Constantijn Huygens-prijs. Max Pam telde voor HP/De Tijd de juryleden van 177 prijzen tussen januari 1986 en oktober 2001. Op zijn lijst stond De Wispelaere op de vijfde plaats; hij zat in die vijf jaar 42 keer in een jury.

Ekster

Hij debuteerde in 1963 met Een eiland worden, zijn credo. De jaren zestig waren zijn bohémienjaren, jaren van 'mijn bevrijding'. Hij zag hoe een wereld die hij goed kende verdween. In al zijn boeken, Een dag op het land, Tussen tuin en werelden, Brieven uit Nergenshuizen, gaat het over het besef van die vergankelijkheid, dat hij ouder werd. In al zijn boeken figureren Eros en Thanatos. De Wispelaere was op zoek naar de 'verloren tijd', naar de ongerepte tuin uit zijn jeugd. Hij was een 'arcadisch  schrijver'; De Wispelaere had het over de verloedering van het landschap.

Hij was een literaire en schrijvende ekster - een beeld dat hij in zijn dagboek Het verkoolde alfabet gebruikt: wanneer je een boek aan het schrijven bent, pik je toch alles op wat in je ogen blinkt. Boeken - 'mijn innerlijke bibliotheek' - genereren boeken, of motto's van boeken, of titels. Hij herkende zichzelf in het werk van anderen: En de liefde nog verder, Herman de Coninck; Mijn levende schaduw, Hugo Claus; Mijn huis is nergens meer, Hans Andreus; Het verkoolde alfabet, Octavio Paz. Voor het literaire dagboek Paul-tegenpaul, 'pool-tegenpool', koos hij een  motto van Maurice Gilliams: 'Doorheen en in alles blijf ik-zelf onderwerp van wat ik schrijf.'

In Onder voorbehoud, gebundelde essays, citeerde hij Mary McCarthy: 'Het is volstrekt nutteloos je zelf te zoeken, je zult het niet vinden, maar het is in zekere zin mogelijk het te maken.' Mundus est fabula, 'de wereld is een vertelling', luidde het schrijversadagium van De Wispelaere. Hij verzon een gedroomd leven, zijn gefictionaliseerde schrijversbestaan. Het vertellen gaf aan zijn leven een glans, geloofde hij, zijn romans gaven het een betekenis die het op zichzelf niet had.

Maar 'eigenlijk zijn er steeds minder woorden die je in de mond kunt nemen', schreef De Wispelaere in zijn dagboek. Herinneringen vervagen, je leven dooft uit, het alfabet is verkoold en de letters smaken uiteindelijk naar as.