Nir Baram portretteert grenzeloze ambitie in een grenzeloos ambitieuze roman
© Jolijn Snijders
Wereldschaduw
Nir Baram

Wereldschaduw

Fictie

Nir Baram portretteert grenzeloze ambitie in een grenzeloos ambitieuze roman

Nir Baram portretteert grenzeloze ambitie in een grenzeloos ambitieuze roman

Misschien moet je Wereldschaduw, de nieuwe roman van de Israëlische auteur Nir Baram, pas lezen als je boven de 40 bent. Misschien dat je dan de ontmaskering van dat gepassioneerde idealisme van je jongere jaren aankunt.

'Je scandeert de leuzen in het besef dat het een rol is waarvoor je bent voorbestemd vanwege je jeugd', legt Baram zijn hoofdpersoon Gavriël Mantsoer in de mond, 'en in ruil daarvoor erkent de liberale wereld dat je je jeugd naar behoren vergooid hebt, een soort getuigschrift dat je je dienstplicht vervuld hebt. Enthousiast bestorm je je politieke jeugdjaren, maar je vuur is niet meeslepend; want iedereen weet dat hij over tien jaar op een ander punt in zijn leven is aangeland en dat in zijn plaats iemand anders de leuzen scandeert om zich daarna aan te passen aan de wereld die hij poogde te verruimen en vervolgens stil te zetten.'

Dat deze analyse een ongemakkelijke waarheid bevat, valt niet meer te ontkennen na 544 pagina's, waarin Baram de coulissen van het wereldtoneel opent. Volkomen geloofwaardig toont hij hoe 'filantropische' hedgefondsmanagers, 'idealistische' politiek adviseurs en 'visionaire' zakenmannen samenklonteren en de gebeurtenissen op de toneelvloer beïnvloeden en besmetten, en waarom we nooit iemand moeten geloven die beweert dat hij schone handen heeft. Zuiverheid bestaat niet. Dit is Hamlet in de geglobaliseerde 21ste eeuw.

Drie verhaallijnen

Net als in zijn vorige roman Goede mensen portretteert Baram grenzeloze ambitie in een grenzeloos ambitieuze roman. Hebben de personages in Goede mensen een schaamteloos gebrek aan ideologie, in Wereldschaduw heeft iedereen idealen genoeg, maar het leidt tot niets.

Drie verhaallijnen volgen we, die uiteindelijk verknoopt blijken te zijn. Allereerst Gavriël Mantsoer, een wat kleurloze jongeman, die via een contact van zijn vader de opdracht krijgt om met geld van een Amerikaans hedgefonds het Joods Fonds voor Democratie op te richten. Het zijn de jaren tachtig, geld is er genoeg. Dit fonds heeft nobele idealen, maar fungeert feitelijk als uithangbord voor nieuwe investeerders in het hedgefonds. Mantsoer raakt snel verwikkeld in deze nieuwe wereld van politiek en het grote geld. Als een hedendaagse Balzac beschrijft Baram de moderne, neoliberale mens, die wordt gedefinieerd door zijn ambities, niet door zijn jeugd.

In een ander hoofdstuk lezen we de brieven en notulen van het Amerikaanse adviesbureau MSV, dat de campagnes van de grote politici van over de hele wereld leidt. MSV wil alleen politici met de juiste democratische ideeën helpen, maar uiteraard komen er vuile zaakjes aan het licht. De elegante ironie zorgt voor welkome afwisseling, maar de personages zijn ook hier 'maskers zonder gezicht'.

Wat is er voor nodig om echt iets te kunnen veranderen aan het systeem? In een derde verhaallijn, nonchalant van toon, bedenkt een groepje berooide 'hippie-hipsters' uit Londen een protest, '11.11: wereldwijde staking, 1 miljard stakers'. Via social media krijgt de groep wereldwijde aanhang van woedende burgers die het kapitalisme willen vernietigen.

Wanneer op 11-11 alle verhalen samenkomen, heb je genoeg inzicht verkregen om met heel je hart te hopen dat het mogelijk is, dat de burgers nog in staat zijn om een nieuwe orde te scheppen.

Maar eigenlijk weet je het antwoord al.