Het vogelalfabet
S.J. Naudé

Het vogelalfabet

Fictie

Het vogelalfabet

De personages balanceren op de rand van hun bestaan. Toch is het boek nergens somber.

Alleen al de prachtige taal is een reden om de verhalenbundel van S.J. Naudé aan te schaffen.

Terwijl ik de mooiste zinnen onderstreepte in Het Vogelalfabet van de Zuid-Afrikaanse schrijver S.J. Naudé raakten de pagina's overvol met dikke, grijze potloodlijnen. Zoveel poëzie zit er in zijn zinnen, zoveel terloopse wijsheid. Een zoon die met zijn doodzieke moeder in de auto zit, ziet hoe de pijn 'een mes' is, 'dat hen van elkaar lossnijdt, een aanwezigheid in de auto die hen allebei op verschillende manieren onderwerpt, hen afwezig maakt voor elkaar.' Hij kijkt naar buiten en verbaast zich erover 'hoe machteloos al die gloeilampen tegen het donker zijn, hoe weinig inbreuk ze daarop maken.'

Even later ziet hij zijn moeder voor het eerst naakt, als hij onaangekondigd de slaapkamer binnenkomt. 'Het netvlies laat het beeld toch niet los, beseft hij na een tijdje. Het blijft bij hem. Hij vraagt zich af wat dat betekent, dat nagloeien. Ja, het heeft iets in zich van toen en nu, de man voor en na de gebeurtenis.'

Na deze zinnen zijn we nog geen halve pagina opgeschoten, en ik heb nog lang niet alles overgetikt wat ik onderstreepte. Alleen al de prachtige taal is een reden om Het Vogelalfabet aan te schaffen.

Rusteloze personages

Naudés debuut bestaat uit zeven lange verhalen, bevolkt door rusteloze personages. Blanke Afrikanen, soms zwervend door Europa en Amerika, maar altijd terugkerend naar hun geboorteland. Gedreven door een vreemde heimwee naar de plek waar ze zich nooit lijken thuis te voelen. Het bestaan is er meedogenloos en corrupt, mensen gaan ten onder aan ziekte, geweld en wantrouwen, maar tussen de puinhopen geschiedt ook het wonder van oprechte medemenselijkheid.

Naudés personages balanceren op de rand van hun bestaan. Ze zitten in een crisis, zijn ziek, stervend of zien een ander sterven. Hun levens zijn teruggebracht tot de essentie en dus maken ze radicale keuzes. Een verpleegster met een agressieve vorm van kanker besluit zich niet meer te laten behandelen maar in de troosteloze Zuid-Afrikaanse heuvels aidspatiënten bij te staan. Ze weet dat ze het niet zal winnen van de corrupte gezondheidszorg of van de rijke wildfarmeigenaren die haar bemoeienis afkeuren, maar ze vecht ertegen. Ze wordt een stoffige martelares, die in inktzwarte hutjes de dood in de ogen kijkt. 'We kunnen de goddelijke vezels in ons zwakke vlees vinden, de onontdekte genade in onze ingewanden.'

Hoop

Een van de thema's is het omgaan met verlies. 'Kan een mens in zijn eentje rouwen?' vraagt de berooide musicologe aan de man die haar huis binnendringt. Ze praat tegen hem in de hoop dat hij haar niets zal aandoen. Ze vertelt over haar overleden moeder. 'haar keurige bloembedden, hoe ze altijd liep te zingen in de tuin. Hoe haar stem verdween in de hoge Vrijstaatlucht.'

De man kapt haar af. 'Nou heb je genoeg gepraat', zegt hij, 'het praten is voorbij.'

Er is verlorenheid en angst in Het Vogelalfabet, maar somber is het niet. Omdat het nergens cynisch wordt, omdat de personages iets verlangen van het leven, en uit dat verlangen spreekt hoop. Mensen beschadigen elkaar en zorgen ook voor elkaar. Ze verlaten elkaar maar vergeten elkaar niet. Een oude vrouw die op de rug van haar zoon een berg op wordt gedragen om daar te sterven breekt onderweg takjes af en strooit die achter zich zodat haar zoon de weg terug zal vinden.