De grote brand in het Brusselse warenhuis Innovation, 22 mei 1967.
De grote brand in het Brusselse warenhuis Innovation, 22 mei 1967. © Hollandse Hoogte / Keystone historical archive collection

De brand in warenhuis Innovation: trillende tl-lamp of toch een aanslag?

Boek (non-fictie): De brand in Innovation **** / Boek (fictie): Happening **

Vijftig jaar na het afbranden van warenhuis Innovation is nog steeds niet zeker wat de ramp heeft veroorzaakt. Twee auteurs komen met tegenovergestelde conclusies.

Als Johan Swinnen op zijn dertiende een hele dag de vervelende puber uithangt, krijgt hij straf van zijn ouders: hij mag de volgende dag niet mee naar de Innovation, het chique warenhuis in het centrum van Brussel, de kooptempel waar moderniteit in al haar gedaanten te verkrijgen is, van nylonkousen tot caravans, zelfs prefabwoningen aan toe.

Het is een straf die zijn redding zal blijken. Terwijl zijn ouders in het selfservicerestaurant op de derde etage lunchen, breekt er brand uit in de gigantische winkelzaak. De evacuatie komt traag op gang (een klant eist dat ze eerst haar glas wijn en visschotel krijgt, ze heeft er immers voor betaald), het vuur verspreidt zich razendsnel, en veel shoppers lopen verloren in het doolhof van gangen en bijgebouwen, die in de loop der jaren aan de Innovation zijn toegevoegd. De ouders van Swinnen blijven achter in het vuur. Hun lichamen worden nooit teruggevonden.

Maandag is het vijftig jaar geleden dat de Innovation uitbrandde, een gebeurtenis die in België nog steeds in het collectieve geheugen staat gegrift. Het is een van de eerste rampen die live op televisie werden uitgezonden. Met beelden van metershoge vlammen die uit het mythische gebouw sloegen. Van klanten en werknemers die via ladders en touwen vluchtten. Van moeders die wanhopig met hun kind van de vijfde etage sprongen, en te pletter vielen in de winkelstraat.

Over de ramp zijn, ondanks jarenlang onderzoek, nog steeds veel vragen

Tegenovergestelde uitkomsten

Vreemd genoeg is het ook een ramp waarover, ondanks jarenlang onderzoek, nog steeds veel vragen zijn. Zoals over het dodental: officieel vielen 251 doden, maar ook het getal van 323 doden circuleert. De meeste lichamen raakten verpulverd in het puin, wat voer is voor speculatie. Ook over de oorzaak van de brand - een aanslag of een ongeluk - is nog steeds discussie, en veel naslagwerken laten het bij 'we zullen het nooit weten'. Het is een gat in de Belgische geschiedschrijving.

Maar, goed nieuws: in aanloop naar de vijftigste verjaardag van de brand zijn twee boeken verschenen waarin het raadsel eindelijk wordt opgelost. Waarin de auteurs diepgaand onderzoek en harde bewijzen aanvoeren, en elke dubbelzinnigheid voor eens en altijd verbannen. Eén probleem: de uitkomst van hun onderzoek is diametraal tegenovergesteld.

De jonge historicus Siegfried Evens wil ons in het sober getitelde De brand in de Innovation overtuigen van een technische oorzaak: een trillende tl-lamp die elektrische vonkjes v¡eroorzaakte en opgehoopt gas achter een vals plafond deed ontvlammen. Voor een aanslag zijn volgens hem geen bewijzen. 'De aanslaghypothese kan voor eens en altijd naar de prullenbak worden verwezen', concludeert hij ferm.

Happening is een verwarrende zoektocht: wat is er echt en wat is verzonnen?

Maar Johan Swinnen, die op zijn dertiende zijn ouders in de brand verloor en zijn hele leven onderzoek deed naar de ramp, is in zijn boek Happening - De aanslag in de Inno minstens even stellig. De emeritus hoogleraar beeldcultuur, wiens eerder kunsthistorisch werk goed werd ontvangen, noemt de brand een aanslag, en komt met indrukwekkend bewijs: hij heeft de daders zelf gesproken. Bied daar maar eens tegenop.

Een vergelijking is niet makkelijk, want de twee hebben een totaal verschillende aanpak. Het boek van Evens is een wetenschappelijk werk, een gepopulariseerde versie van zijn masterscriptie, waarmee hij vorig jaar met grootste onderscheiding afstudeerde. Het is een meeslepend, vlot geschreven verslag van zijn onderzoek, stevig onderbouwd en met een uitgebreide bronnenvermelding.

Swinnen daarentegen koos ervoor zijn bevindingen in een sleutelroman te gieten. Hij heeft cryptische persoons- en plaatsnamen verzonnen, en heeft de gaten in de feitelijke geschiedschrijving met zijn verbeelding ingevuld. Dat maakt zijn boek tot een verwarrende zoektocht: wat is er echt en wat is verzonnen?

Aanslag vs. elektrische vonkjes

Wat we zeker weten, is dat er meteen na de brand op 22 mei 1967 veel aanwijzingen zijn voor een aanslag. Het vuur zou volgens getuigen simultaan op de eerste en op de derde etage zijn ontstaan, wat wijst op twee brandhaarden. De kleur van de rook en de snelle verspreiding van het vuur - in een kwartier staat de hele Inno in lichterlaaie - doen vermoeden dat er chemische brandversnellers zijn gebruikt.

De daders worden in de hoek van een communistische jongerenbeweging gezocht. Die hebben de week voor de brand actie gevoerd tegen de 'Amerikaanse veertiendaagse' in de Innovation, een themaweek waarvoor het warenhuis vol Amerikaanse vlaggen hangt, nogal roekeloos met alle protesten tegen de Vietnamoorlog. Het gerecht pakt verschillende communistische jongeren op, en verricht tientallen huiszoekingen.

Een week later slaat het gerechtelijk onderzoek een andere richting in. Volgens Siegfried Evens omdat de getuigenissen over de verschillende brandhaarden onnauwkeurig zijn, en omdat geen enkel concreet bewijs voor een aanslag is gevonden. Na drie jaar onderzoek besluit het gerecht definitief tot een technische oorzaak: door elektrische vonkjes ontbrand gas heeft zich via valse plafonds en luchtkokers razendsnel verspreid.

Tekst gaat verder onder de foto.

De vonkjes-en-gastheorie is volgens Evens de enige geloofwaardige en wetenschappelijk onderbouwde hypothese. Die stelling beargumenteert hij uitgebreid, met zelfs een uitstap naar gasbranden in de mijnbouw. Zijn argumentatie komt overtuigend over, maar geconfronteerd met Swinnen beginnen we te twijfelen: is de jonge historicus mogelijk te gezagsgetrouw?

Want volgens Johan Swinnen is het gerechtelijk onderzoek een klucht, waarvan we niets moeten geloven. Niet alleen omdat er in de loop der jaren vele stukken uit het papieren dossier zijn verdwenen - stukken waarvan hij zelf kopieën beweert te bezitten - maar vooral omdat de onderzoekers destijds gezwicht zijn voor politieke druk.

Volgens Swinnen was de Innovation verzekerd tegen brand, maar niet tegen brandstichting (wat Evens overigens tegenspreekt), en dreigde de machtige winkelketen in geval van een bewezen aanslag failliet te gaan. Dat zou rampzalig zijn voor de aandeelhouders, afkomstig uit de Belgische haute finance, dus werd het onderzoek door bevriende politici en magistraten in een andere richting gestuurd.

Geloofwaardigheidsprobleem

Swinnens smoking gun: een bekentenis van de daders op tape

Het is een complottheorie, maar in de Belgische politieke geschiedenis zijn wel gekkere dingen gebeurd. Bovendien zegt Swinnen in zijn verantwoording over een serie bewijzen te beschikken. Zoals foto's van een van de ontplofte bommen, een handgeschreven opeising van de aanslag, en zijn smoking gun: een bekentenis van de daders op tape.

Maar Swinnens keuze om geen namen te noemen en zijn materiaal te fictionaliseren, waarmee hij zich juridisch indekt, verzwakt zijn betoog. Het maakt het voor de lezer onmogelijk om de door hem aangevoerde bewijzen op waarde te schatten. Swinnen zegt de daders gesproken te hebben, maar hoe geloofwaardig zijn die mensen? Wie garandeert dat het niet om fantasten gaat? Waarom maakt hij de tape niet openbaar? Waarom krijgen we die foto's niet te zien?

Swinnen vraagt veel vertrouwen van zijn lezers, maar doet weinig om dat vertrouwen te winnen. Terwijl Evens voor- en tegenargumenten van alle theorieën afweegt, voert Swinnen in zijn verantwoording alleen bewijzen à charge aan. Hoe verklaart hij dat geen enkele getuige een bom heeft zien of horen ontploffen? Dat er geen brandversnellers zijn gevonden? Daar gaat hij allemaal aan voorbij.

Swinnen verdedigt zijn aanpak door aan te voeren dat zijn boek niet bedoeld is om het onderzoek te heropenen of de daders te vervolgen, maar dat hij veeleer een beeld wilde schetsen van een ontspoorde tijd, en van het radicaliseringsproces en de morele dilemma's van de aanslagplegers. Tegelijk poneert hij met zijn roman 'de waarheid te reveleren'. Die combinatie van uitgangspunten is uiteindelijk problematisch.

Je zou willen dat Swinnen zijn bewijzen aan Evens had voorgelegd, en dat die er zijn historische kritiek op had kunnen loslaten. Nu ligt er een zeer lezenswaardig boek van een gedegen historicus, die mogelijk waardevol bronnenmateriaal is onthouden (al was het maar om het te ontkrachten), en een verwarrende roman met overtrokken ambities. En blijft nog steeds een zweem van twijfel over de oorzaak van de brand.