Al zijn woorden kwijt en nooit meer zin in roken

In eerste instantie maakt haar vader geen enkel geluid. Hij kan niet praten, hij kan niet schrijven. Maar als ze hem vraagt of hij zelf nog daarbinnen zit, dan knikt hij wel degelijk....

Zijn begrip, zijn liefde voor de taal, zijn humor, het zit er allemaal nog, maar ze vinden de uitweg uit zijn hoofd niet, omdat hij niet op de woorden kan komen. In Hoe mijn vader zijn woorden terugvond volgt Liesbeth Koenen zijn strijd met zijn woordeloosheid op de voet. Als meelevende dochter, maar ook als taalkundige. Ieder zijn beroepsafwijking; Koenen luistert gefascineerd naar spreekfouten en ziet van heel dichtbij hoe taaltheorieën uitpakken in de praktijk. Hoe hij zich, net als buitenlanders, vergist in het, er en daar – vullertjes voor zinnen zonder onderwerp – en tot haar verbazing dingen zegt als ‘er regent’ en ‘het bleek niets aan te doen’. Hoe hij, net als kinderen, de r en l door elkaar haalt. En, net als kinderen, wél op zijn woorden kan komen als hij wordt geholpen door rijmpjes, melodie of andermans begin. En dus oefenen ze met het afmaken van suffe gezegden (‘boontje komt om zijn ...’), met Een, twee drie, vier, hoedje van papier. Dat oefenen doen ze als een bezetene, want het – al dan niet overdreven – idee is dat de spraak die binnen de eerste maanden niet terugkomt, nooit meer terugkomt.Koenens vader wordt daarbij geholpen door zijn plezier in taal. ‘Luidt de opdracht een zin te maken die eindigt op ‘meet’, laat het dan maar aan mijn vader over om de ongebruikelijkste betekenis te nemen en op te schrijven : ‘Toen ik wiel rende kwam ik van de 6 etappes vijf maal als eerste aan de meet.’ Gek genoeg komen juist de hem typerende zeldzame, plechtstatige of zelfbedachte woorden makkelijker terug dan de makkelijke, alledaagse woorden. En terwijl het spreken nog hakkelend en in vaak onbegrijpelijke klanken gaat, schrijft hij zijn e-mails met de driedubbel ingebedde bijzinsconstructies. Hoe dat komt, hoe dat kan, waarom de gekste dingen wel lukken en de normaalste dingen niet, hoe dat voelt, wat dat zegt over taal, de hersenen en haar vader – de auteur vraagt het allemaal, aan zichzelf en aan haar vader. Zo blijkt achteraf dat de taalarmste periode – de eerste woordeloze weken na het infarct, voor haar vader kort leken te duren. Is taal dan toch nodig om herinneringen op te slaan? Met grote inspanning haalt haar vader de meeste woorden terug, maar voorgoed verloren is de vanzelfsprekendheid. ‘Ik praat kunstmatig’, noemt hij het zelf. Naast zijn spreekgemak heeft het infarct hem op raadselachtige wijze ook zijn behoefte aan sigaretten ontnomen, terwijl hij sinds zijn vroege jeugd nog nooit een dag niet gerookt had. Koenens gedachten over hoe dat kan en wat dat zegt over verslaving, paste niet in dit mooie, kleine boekje. Misschien in een volgende.Simone de Schipper