Ja-kamp referendum moet hopen op veel thuisblijvers
© ANP

Ja-kamp referendum moet hopen op veel thuisblijvers

Opkomstpercentage gaat uitkomst referendum bepalen

Het ja-kamp moet het bij het Oekraïne-referendum van woensdag vooral hebben van een opkomstpercentage van minder dan 30 procent. De achterstand op het nee-kamp is nog altijd aanzienlijk. Dit blijkt uit een enquête van onderzoeksbureau I&O Research in samenwerking met de Volkskrant.

'Het wordt heel moeilijk de achterstand nog goed te maken', stelt onderzoeker Peter Kanne.

Waarom u voor/tegen moet stemmen

Wat zijn de belangrijkste thema's bij het referendum? Een overzicht, met voor- en tegenargumenten

Weten de voorstanders hun achterban alsnog te mobiliseren, dan is er een kleine kans op een overwinning door het nee-kamp rechtstreeks te verslaan. Maar op basis van de peiling oogt een andere route naar winst, een opkomst lager dan 30 procent, beduidend kansrijker. In dat geval kan het kabinet de uitslag van het referendum naast zich neerleggen en wordt het associatieverdrag van kracht, zoals de voorstanders willen.

Bij de vorig weekeinde onder ruim 2.300 Nederlanders gehouden peiling gaf 47 procent van de kiezers aan 'nee' te zullen stemmen, terwijl het ja-kamp op 36 procent bleef steken. Zo'n 18 procent van de kiezers had nog geen mening, maar wordt die laatste categorie buiten beschouwing gelaten ('geen mening' is geen optie op het stembiljet) dan vormen de tegenstanders met 57 procent een duidelijke meerderheid tegenover 43 procent ja-stemmers. 'Die verhouding zagen we ook bij al onze voorgaande peilingen', aldus Kanne. 'Het aantal twijfelaars neemt wel geleidelijk af.'

Lastig

De opkomst woensdag valt aanzienlijk lastiger in te schatten dan de uitslag. Dat die vrijwel zeker laag blijft, ondanks alle aandacht in de media, is volgens Kanne te wijten aan de 'onduidelijke consequenties voor Nederland' van het Oekraïne-verdrag. Waar bij Kamerverkiezingen het vooruitzicht van een rechts of links kabinet kiezers naar de stembus lokt, ontbreekt een dergelijk 'concreet perspectief' bij dit referendum. Tekenend is dat ondanks alle publiciteit slechts 3 procent van de Nederlanders 'goed' op de hoogte zegt te zijn van de inhoud van het verdrag. Maar liefst 64 procent weet naar eigen zeggen 'helemaal niet' of maar 'een heel klein beetje' wat er in staat.

Uit onderzoek naar de motieven blijkt dat in het nee-kamp vooral twee argumenten furore maken: de afkeer van 'banden aanhalen met een corrupt land' en de vrees dat dit verdrag een opstap naar een EU-lidmaatschap vormt. Andere populaire motieven: 'Alleen het grootkapitaal profiteert' en aanvaarding van het verdrag zou de relatie met het Rusland van Poetin schaden.

Democratie

Bij de voorstanders ziet juist een meerderheid in de Poetin-factor een reden om 'ja' te stemmen: 61 procent beschouwt een nee-stem als 'een overwinning voor Poetin'. Belangrijker nog vinden de voorstanders het wederzijds economisch voordeel en de hulp die het verdrag aan Oekraïne biedt op het vlak van democratie en mensenrechten. Juist dankzij dit verdrag valt corruptie in dat land te bestrijden, zo denken zij. Hun meest genoemde motief (77 procent): een tegenstem betekent dat de EU 'veel goedwillende Oekraïners in de kou laat staan'.

Links Nederland is tot op het bot verdeeld: de PvdA telt met 83 procent zelfs meer voorstanders dan D66 en GroenLinks, terwijl bij de SP juist twee op de drie kiezers tegen zijn.

'Je ziet hier 'de diplomademocratie' in de praktijk', zegt Kanne. 'De lager opgeleide, meer conservatieve SP-kiezers staan diametraal tegenover de vaak hoger opgeleide PvdA-kiezers. De eerste groep denkt dat het verdrag alleen goed is voor multinationals en de rijkste Oekraïners, terwijl hoger opgeleiden denken dat het iedereen ten goede gaat komen.'