De kilometerheffing, het stokpaardje van dit kabinet, staat of valt plots met de belasting op personenauto’s en motorrijwielen (bpm), de belasting die iedere automobilist per nieuwe wagen betaalt – gemiddeld enkele duizenden euro’s per stuk. Die belasting afschaffen, heeft risico’s, zeggen drie planbureaus die in opdracht van de Tweede Kamer onderzoek deden. Vier vragen over de bpm.
Waarom wil het kabinet de aanschafbelasting afschaffen bij de invoering van de kilometerheffing?
Het kabinet noemt de kilometerheffing Anders Betalen voor Mobiliteit. Daarmee wil Verkeersminister Eurlings zeggen: de automobilisten gaan niet méér betalen, wel eerlijker. Automobilisten rekenen straks af per kilometer en niet via allerlei belastingen. De motorrijtuigenbelasting en de aanschafsbelasting (bpm) worden daarom in de kilometerprijs meegenomen. Die belastingen leveren nu 7 miljard euro per jaar op. Iedereen betaalt straks per gereden kilometer en niet via belastingen, is het idee.
Wat is het effect voor het milieu als de bpm volledig wordt afgeschaft?
Het verwerken van de bpm in de kilometerheffing is goed voor het milieu, becijferen het Centraal Planbureau, het Milieu- en Natuur Planbureau en het Ruimtelijk Planbureau in hun rapport. Het levert op korte termijn een vermindering aan schadelijke stoffen op van 10 tot 18 procent.
Als de bpm wordt afgeschaft, worden nieuwe auto’s weliswaar veel goedkoper (de verkoop zal zo’n 5 tot 6 procent stijgen) maar door de hoge kilometerprijs zal er minder worden gereden. Op den duur, als men wat meer gewend is aan de kilometerprijs, zal er weer meer worden gereden, verwachten de planbureaus, en zal de milieuwinst (dat wil zeggen de winst die uit de kilometerprijs wordt gehaald) verminderen. Maar het milieu wordt er met de kilometerprijs (inclusief het afschaffen van de bpm) alleen maar beter op.
Goed nieuws dus.
Voor het milieu dus wel. Maar volgens de planbureaus zijn de maatschappelijke kosten veel te hoog. Als de bpm wordt afgeschaft, moet die volledig in de kilometerprijs worden verwerkt. En volgens berekeningen kan deze dan wel eens 8 cent per kilometer gaan bedragen. Dat gaat ten koste van wat de bureaus maatschappelijk nuttige ritjes noemen. Met ander woorden: de bezoekjes aan opa en oma, of gewoon boodschappen doen.
Belangrijker is dat wanneer de auto minder wordt gebruikt ook het aandeel belastingen (accijnzen) op bijvoorbeeld benzine minder wordt – oftewel: dat gaat ten koste van de schatkist.
Het ministerie van Financiën is sowieso al niet gecharmeerd van het verdwijnen van de bpm, een belasting (gemiddeld 42 procent per auto) die de staat dus veel oplevert.
In het rapport staat letterlijk: ‘De milieuwinst lijkt niet op te wegen tegen het verlies van maatschappelijk nuttige mobiliteit en accijnsderving.’ Daarmee zeggen de planbureaus eigenlijk dat het onverstandig is de bpm volledig in de kilometerprijs op te laten gaan.
Hoe moet het nu verder dan?
De motorrijtuigenbelasting verdwijnt zodra de kilometerheffing wordt ingevoerd (in 2011 voor vrachtwagens, daarna gefaseerd voor personenwagens). Over die belasting is geen discussie. Verkeersminister Eurlings (voor afschaffing) en staatssecretaris De Jager van Financiën (tegen afschaffing) discussiëren al maanden over de bpm. Deze maand moeten ze met een gezamenlijk standpunt komen. Waarschijnlijk komt er een compromis: 25 procent van de aanschafbelasting blijft in stand.