De analyse is opgesteld door Paul van Dam, die tot vijf jaar geleden hoofd was van de afdeling basisonderwijs van Cito, de instantie die de PPON-onderzoeken uitvoert. Van Dam heeft alle 32 PPON-onderzoeken van de afgelopen twintig jaar nog eens op een rij gezet omdat het hem verontrustte dat die onderzoeken nooit tot een discussie over het niveau van het onderwijs leidden.
Voor dit soort onderzoeken wordt aan enkele duizenden kinderen van de basisschool een toets voorgelegd die door 75 procent van de kinderen voldoende moet kunnen worden gemaakt. Wordt die score niet gehaald, dan is er iets mis met het niveau van het onderwijs, en dat blijkt in vrijwel alle vakken het geval. Bij begrijpend lezen haalde slechts 50 procent van de leerlingen een voldoende. Studerend lezen: 50 procent. Luisteren: 50 procent. Grammatica en interpunctie: 50 procent. Stijl, zinsontleding, woordbenoeming en -begrip: tussen 30 en 35 procent.
Vorig jaar verscheen een PPON-rapport over rekenen, het enige dat stof deed opwaaien. Voor bewerkingen als optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen haalde minder dan 30 procent van de kinderen de norm, en dat was duidelijk slechter dan in het eerste PPON-rapport, uit 1986. Ook de kleinere vakken worden slecht beheerst. Kaartlezen: 34 procent. Topografie: 16 procent. De meeste tijdvakken van geschiedenis: tussen 34 en 58 procent. Bij muziek is het al even slecht. Zelfs bij het zingen haalde slechts 12 procent van de leerlingen een voldoende. Natuurkunde: 50 procent. Techniek: 34 procent.
Bij slechts enkele vakken vond Van Dam een voldoende prestatie, onder meer bij technisch lezen, handschriftontwikkeling en bij geschiedenis van de 20ste eeuw.
Frank van der Schoot, projectleider van PPON, bevestigt de feiten in grote lijnen. Maar hij wil niet de conclusie trekken dat het basisonderwijs slecht presteert. ‘Het enige dat we kunnen zeggen, is dat de score niet beantwoordt aan de standaarden die door deze deskundigen zijn opgesteld.’
Van Dam denkt te weten waarom het basisonderwijs op alle fronten achterblijft bij wat wenselijk is. ‘Het onderwijs moet vooral leuk zijn. Natuurlijk worden leuke dingen gedaan en die zijn vaak ook erg nuttig, maar er moet ook heel vervelend worden herhaald, in de kop gestampt en getoetst. En dat gebeurt bijna nergens.’