De wandaden die hun milities begingen – waaronder moord, ronselen en inzet van kindsoldaten, verkrachting, seksuele slavernij en plundering – concentreerden zich rond 24 februari 2003 toen zij het vooral door Hema bewoonde dorp Bogoro aanvielen in de Oost-Congolese provincie Ituri. Daarbij vielen meer dan 200 doden.
‘Om half zes die ochtend daalden honderden militieleden neer op het dorp, voorzien van automatische geweren, speren en machetes', zei hoofdaanklager Luis Moreno-Ocampo in zijn openingsrede. 'Bij het moorden maakten ze geen onderscheid tussen vrouwen, kinderen, bejaarden.'
Tijdens het proces zullen 26 slachtoffers, voormalige militieleden, kindsoldaten en deskundigen getuigen wat precies gebeurde en hoe goed de slachting werd voorbereid. De aanklagers gaven dinsdagmorgen een voorproefje, met kaarten waarop met gele en rode pijlen werd aangegeven hoe de milities - de FNI die Ngudjolo geleid zou hebben en de FRPI van Katanga – het dorp benaderden.
Beide leiders hadden weken tevoren de aanval gepland op het dorp, omdat hier de vijandelijke, uit Hema’s bestaande militie UPC een basis had en omdat het op een belangrijk kruispunt lag. Het wegvagen van het dorp, met alle inwoners, maakte echter expliciet onderdeel uit van het plan, aldus de aanklagers. ‘Er zijn geen burgers onder de Hema, ze zijn allemaal soldaten’, citeerde Moreno-Ocampo een uitspraak van Ngudjolo. Vandaar dat de militieleden, de kindsoldaten voorop omdat die alles deden wat hen werd opgedragen, burgers ‘in hun slaap vermoorden of doodhakten met machetes om kogels te sparen’ en op iedereen joegen die op de vlucht sloeg.
Moreno-Ocampo en later tweede aanklager Fatouda Bensouda stonden lang stil bij de internationale context waarin de slachting plaats had. Het gebeurde aan het eind van de Tweede Congo-Oorlog (1998-2003), die ooit begon als gevolg van de genocide in Rwanda in 1994. Negen landen deden hieraan mee, mede om zich te goed te doen aan de natuurlijke hulpbronnen van Congo, en 4 miljoen mensen lieten het leven, vooral door honger, ziekte en uitputting, als gevolg van het conflict.
Het internationale strafhof, dat alleen misdaden kan vervolgen die na 2002 zijn gepleegd, en alleen als ze zijn begaan in de 110 landen die het oprichtingstatuut ervan ondertekenden, ‘heeft geen jurisdictie over de meeste in die tijd gepleegde misdaden,’ aldus Moreno-Ocampo. ‘Maar we kunnen met dit proces helpen een eind te maken aan de cyclus van geweld in Ituri. We kunnen de slachtoffers een stem geven, door ze te laten weten dat ze niet alleen staan.’
In beide processen die nu lopen voor het Strafhof is een belangrijke – en voor het internationale strafrecht nieuwe – rol weggelegd voor slachtoffers. Aan het proces tegen Katanga en Ngudjolo doen 345 slachtoffers mee als civiele partij, bijna vier keer meer dan aan het begin dit jaar begonnen proces tegen krijgsheer Thomas Lubango, de leider van de vooral uit Hema’s bestaande militie UPC en de directe vijand van Katanga en Ngudjolo.
De Luikse advocaat Jean-Louis Gilissen, een van de twee advocaten die de slachtoffers vertegenwoordigen, beschreef vanmorgen het proces ‘als een belangrijk moment van hoop voor de slachtoffers, een dag waar ze meer dan zes jaar op hebben gewacht’. Tijdens zijn met gevoel uitgesproken rede, keek hij de verdachten aan – Katanga, die leunend op de tafel voor hem de hele ochtend aandachtig had geluisterd, Ngudjolu, die bijna de hele tijd achterovergezakt in zijn stoel zat. ‘Ze zoeken gerechtigheid, maar vooral antwoord op vragen naar het waarom en het hoe.’
Veel vragen waarmee de tien ex-kindsoldaten worstelen die hij vertegenwoordigt, zullen niet worden beantwoord tijdens het proces. ‘Waarom staat Bogoro centraal? Waarom niet die andere moorden? Waarom gaan verantwoordelijken in het Oegandese leger vrijuit, die de milities van wapens voorzagen?’
Niettemin verwachten ze ‘een nieuwe toekomst te kunnen opbouwen’ en prees hij het proces omdat het ‘bouwt aan een systeem van gerechtigheid voor de hele mensheid.’
De advocaten van de verdachten leggen dinsdagmiddag hun verklaring af.