Na de historische nederlaag van de PvdA bij de Europese verkiezingen – 12 procent van de stemmen, derde na CDA en PVV – roerden ontevreden partijprominenten zich. PvdA-leider Wouter Bos reageert.
Wat ging er mis?
‘Er is nog een heleboel onbekend. Maar als de samenleving verdeeld raakt,
gesegregeerd en gepolariseerd, dan zie je dat terug in de Partij van de
Arbeid.
‘Wij zijn een echte volkspartij: hoog- en laagopgeleid, wit en zwart, rijk en arm. Als de samenleving uiteen dreigt te vallen, gebeurt hetzelfde bij de achterban van de PvdA.
‘Daar zit iets heel kwetsbaars aan, want je krijgt op de vervelendste momenten de meest verschrikkelijke nederlagen, waarvan dit er één is.
‘Maar er zit ook een grote kracht in. Want de PvdA moet, juist met die gemengde achterban, in staat zijn met een verbindende boodschap te komen.’
Het lijkt alsof de samenleving een heel andere kant opgaat.
‘Daar zal de PvdA zich nooit bij neerleggen. Wij willen geen partij zijn van
alleen hoog- of laagopgeleiden. Of alleen autochtonen of allochtonen. Wij
zijn altijd voor verbinden geweest, maar de tegenstellingen waren deze keer
te groot. Daar zijn we niet overheen gekomen.’
Waarom is het niet gelukt?
Bos zucht. ‘Daarin speelt van alles een rol, en ongetwijfeld ook dingen die
specifiek met de partij te maken hebben.’
Laten we het daarover hebben.
‘Liever niet. Ik moet er zelf ook nog naar kijken, naar de campagne
bijvoorbeeld. Maar het is niet alleen vanuit de PvdA te verklaren. Je ziet
in Nederland een enorme trek naar de flanken.
‘Daar lijden alle middenpartijen onder. Bovendien zitten sociaal-democratische partijen Europabreed in de problemen. Het is niet uitsluitend een Nederlands verhaal.’
U moet toch antwoord geven op uw critici?
‘Ik doe dat niet via de krant. Een van de kwalijkste aspecten van de
PvdA-cultuur is dat we elkaar via de krant de maat nemen.’
Heeft de partijtop deze verkiezingen onderschat?
‘Nee, volstrekt niet. Wij hebben – omdat we het belangrijke verkiezingen
vonden – vijf nationaal bekende PvdA-toppers aangezocht om lijsttrekker te
worden. Die hebben alle vijf geweigerd.’
Wie?
‘Dat zeg ik niet.’
Waarom wilden ze niet?
‘Misschien durfden ze niet, of vonden ze het niet interessant. Thijs Berman
heeft wel de moed gehad, en met hem hadden we een lijsttrekker met een groot trackrecord
in Europa. Hij is een echte believer, maar hij had een
naamsbekendheid van 3 procent.
‘Nee, onderschat hebben we het niet. Wij dachten een jaar geleden dat deze verkiezingen uitsluitsel zouden geven over de vraag wie de grootste partij op links zou zijn, de PvdA of de SP’.
Heeft u inderdaad niet op Thijs Berman gestemd, maar op eurocriticus René
Cuperus, de nummer vijf?
‘Dat gaat jullie niets aan.’
Moet een partijleider niet op de nummer één stemmen?
‘Helemaal niet. Ik stem altijd op een vrouw, meestal is dat bij de PvdA de
nummer twee. (Lacht).
‘Ik wil het ook best zeggen. Ik heb op René Cuperus gestemd. Omdat ik het belangrijk vind dat de 40 procent van de achterban die destijds nee heeft gezegd tegen de Europese Grondwet, ook vertegenwoordigd zou moeten zijn in de fractie straks.’
De PvdA was voor kiezers vaak tweede keus.
‘Dat biedt hoop. Onderzoek leert ook dat de PvdA altijd hoog scoort als mensen
geanonimiseerd partijstandpunten krijgen voorgelegd.’
Dat betekent dat de PvdA een imagoprobleem heeft.
‘Nee, dat betekent dat er inhoudelijk niets mis is, maar dat we ons verhaal in
campagnetijd en met de medialogica die dan geldt, niet aansprekend over het
voetlicht weten te krijgen. Dat kan te maken hebben met de professionaliteit
van de campagneorganisatie.’
Dat kan, of dat is zo?
‘Dat kán, gun me die uitdrukking nou. We barsten van de goede medewerkers. Ik
heb helemaal geen behoefte om wie dan ook een trap na te geven.’
Heeft u niet af en toe het idee: jongens, zoek het uit?
‘Ik heb in zeven jaar partijleiderschap de toppen en de dieptepunten wel
meegemaakt. Het gevaar van je concentreren op de dieptepunten is dat we bij
de volgende verkiezingen de vorige oorlog proberen te winnen.
‘Het speelveld van de verkiezingen van 2010 en 2011 (gemeenteraden en Tweede Kamer, red.) wordt volkomen anders. Dan bevinden we ons aan het eind van de recessie, maar in sociale termen zitten we er dan middenin. Huizenhoge werkloosheid, hoog oplopende discussies over het financieringstekort. Het wordt nog knap ellendig in Nederland.
‘Als je vraagt naar een strategische fout: wij dachten dat de crisis, en de opstelling van de PvdA en mijzelf daarin, een thema zouden zijn. Maar veel mensen voelen de crisis nog nauwelijks. Reken erop dat dat in maart anders is.
‘Je kunt dagen, weken, maanden werken aan een PvdA die wordt vertrouwd – als er één verhaal tussendoor fietst over een gouden handdruk voor een PvdA-bestuurder, kun je opnieuw beginnen. Dat is ongelooflijk frustrerend.’
Waarom royeert u zulke mensen niet?
‘We werken aan een code die juist van PvdA-bestuurders soberheid eist. Als ze
die niet betrachten, kunnen ze inderdaad ophoepelen. Ik zeg niets over
individuele gevallen, anders dan dat berichten over bonussen en
pensioenregelingen funest zijn geweest voor al onze campagne-inspanningen.
Dat kon je op elke markt vaststellen.’
Wat te doen met Wilders?
‘Ik ga me niet blindstaren op Wilders. Vanaf 2002 hebben wij geďnvesteerd in
het achterhalen waarom mensen bij de PvdA wegliepen. We hebben de koers
aangepast. Op het gebied van grootstedelijke problemen, veiligheid,
probleemjongeren, integratie zijn enorme stappen gezet. We lopen niet achter
de Wilders-kiezer aan, we proberen te laten zien dat de PvdA een alternatief
biedt.’
Is fractievoorzitter Mariëtte Hamer het juiste wapen tegen Wilders? Zij
moest de lageropgeleiden erbij houden.
‘Zij is niet het probleem. Ikzelf was begin 2006 nog goed in staat om
lageropgeleiden te trekken. Er is iets raars aan de hand. Alexander Pechtold
van D66 wordt gezien als de grote bestrijder van Wilders. Maar hij heeft nog
nooit iets inhoudelijks gezegd over integratie, anders dan dat hij het met
Wilders oneens is. Wat er moet gebeuren, daar hoor je Pechtold niet over.
‘Bij ons is het precies omgekeerd. Wij hebben inhoudelijk verschrikkelijk veel te bieden, op het gebied van grote stedenbeleid of integratie. Maar het idee dat wij strijd leveren tégen Wilders, blijft weinig hangen. Kennelijk is het beeld ontstaan dat wij op Wilders willen lijken, in plaats van dat we hem bestrijden of een alternatief bieden. Daar ligt de uitdaging.’