Dit interview is op 28 september 2001 gepubliceerd in de Volkskrant
Hoe mensen het rooien, dat is wat Martin Bril het meest interesseert. Hoe iedereen zijn eigen boeltje bij elkaar houdt. Hoe ze zich door het leven slaan. Dat zijn altijd interessante verhalen - een mer ŕ boire, komt geen einde aan. Iedereen heeft wel iets heel raars.
De schrijver hoorde van een keurige jonge vrouw van 35, zo’n meisje achter wie je het niet zoekt, dat ze al jarenlang een vrijer heeft voor de woensdagochtend. Een getrouwde man. Elke woensdag, als zijn vrouw werkt, gaat ze naar hem toe. Hij kan nooit naar haar huis; hij moet op de hond passen. Intussen wordt zij langzaam maar zeker gek van die hond. De relatie dreigt te stranden op die hond.
Zo zit de wereld vol verhalen.
Allermooiste
Praten over het leven, dat is toch het allermooiste? Martin Bril praat niet
graag over een Onderwerp. Als je anderen hun mening vraagt over de aanslagen
in New York, krijg je een echo van wat ze op televisie hoorden. Haast
niemand heeft een originele visie, waarom zou je het daar dan over hebben?
Zelf is hij geen denker: ‘Zet mij op een berg en ik denk niks. Jij wel? Ik
vraag me alleen af of ik honger heb. Of ik kijk op mijn horloge. Of ik denk:
wat moet er vandaag gebeuren?’
Hij is een man van wandtegels, ja écht. ‘Ik hou meer van eenvoud dan van complexiteit. Meer van minder dan van meer. Mijn favoriet is: goed is beter dan slecht. Die is zo sterk, daar kun je niet omheen. Maar probeer er maar eens naar te leven.’
Het gewone
Bril houdt van het gewone. De wereld van een schrijver of kunstschilder, ach,
daar is genoeg over verteld. ‘Geef mij het leven van een loodgieter. Wat
maakt die niet mee? Maar een goede roman of film over een loodgieter ben ik
nog niet tegengekomen. Nee hoor, het gaat altijd weer over een advocaat in
gewetensnood.’
De oppervlakte is diep genoeg, vindt hij. De oppervlakte is namelijk helemaal niet oppervlakkig - van de buitenkant kun je een hoop aflezen. Hij hoeft zijn lezers niet aan het denken te zetten. Dat is voor dominees. Hij wil ze laten lachen, of ontroeren.
Aandoenlijk, die keer dat hij Bram Peper en Neelie Kroes door de Leidsestraat zag lopen. Op zo’n hele koude winterochtend, een lucht zo helderblauw als ie alleen in de winter kan zijn. Hij liep achter ze aan. ‘Ik vond het zo’n mooi echtpaar, echt een goed huwelijk. Dat zag je aan de manier waarop zij gesticuleerde, hoe hij haar toeknikte.’
Stadskroniek
Uit de stadskroniek die hij vier jaar schreef voor Het Parool: ‘Was dit nou
zo’n stel dat zichzelf genoeg was?’ (. . .) ‘Dit was een kleine verrassing
op een doordeweekse dag die knisperde van levenslust, een verrassing
vergelijkbaar met de zang van een merel. Het leven gaat almaar door zingt de
merel, en zelfs ministers die door het slijk zijn gegaan kunnen gelukkig
zijn.’
Een column van niks, zegt Bril, maar alles zat erin.
‘Mensen zijn toch ontroerend? Dat ze elke ochtend weer vol goede moed beginnen en het altijd maar halfbakken eindigt? Al de hoop die ze vestigen op hun inspanningen, terwijl het eind van het liedje is dat ze weer tekortschieten of falen. Dat is wat de meesten van ons gegeven is. Aandoenlijk vind ik dat, aangrijpend bijna.’
Het Parool heeft hij nu ingewisseld voor de Volkskrant. Vanaf maandag staat Bril zes keer per week op deze pagina van het tweede katern, met een kroniek over Nederland. Een leuk land vindt hij - dat pas begint voorbij Amersfoort. Amsterdam is haute couture. Na Amersfoort openbaart zich het normale Hollandse leven. De Wibra, C & A, Peek & Cloppenburg.
Fascinerend volkje
Een ‘fascinerend volkje’ woont daar. ‘Sudderlapjes, en schoenen bij de Bata en
binnenstappen bij de Etos in zo’n winkelstraat waar van die muziek in wordt
gepijpt, weet je wel. Een keer per jaar gaan ze naar Lebbis en Jansen of
naar Youp van ‘t Hek. Er zit natuurlijk een element van treurigheid in, maar
it breaks my heart.’
Daar, ‘in de provincie’ vinden ze hem een heel elitaire Amsterdammer. Dat schijnt hij uit te stralen. ‘Zo zie je maar dat er een hele hoop misverstanden over iemand kunnen leven die nergens op zijn gebaseerd.’ Neem de bespreking van zijn laatste boek in De Gelderlander. ‘Die man haatte me echt. Puur omdat ik in Amsterdam woon en hij in Arnhem. Omdat ik hier woon en er met een bepaald gemak over schrijf.’
Arrogant
Hij weet dat hij arrogant kan overkomen. Ja, hij heeft zo zijn manier van
ergens binnenstappen. ‘Ik draag een pak en dat is ook al niet goed hč. Maar
daar kan ik natuurlijk weinig aan doen. Ik ben voor de krant op stap. Ik
moet er een beetje netjes uitzien. Dat wordt gewaardeerd in de kringen waar
je komt. Ik kan wel verregend in een parka komen aankakken, maar dan ben je
weer een uur onderweg voordat je serieus wordt genomen. Dan begrijp je niet
hoe de wereld in elkaar zit.’
Een bijna pijnlijk nauwgezette observateur is hij, met gevoel voor het kleine menselijke geluk en verdriet. Sterk in het ontwaren van net dat ene detail dat een persoonlijkheid tekent. Een flard van een dialoog tussen een stel is voor hem voldoende om een trefzeker portret te schetsen van een relatie. Hij heeft weinig fantasie, zegt hij zelf (’ik verzin nooit niets’), maar een grote verbeeldingskracht.
Kolftas
Gisteren hoorde hij een vrouw zeggen, in haar mobieltje ‘Ik ben mijn kólftas
vergeten.’ Kolftas, van het sjiekige kólfen, iets heel anders dan als iemand
gewoon golfen zegt. ‘Zo’n zin neem je dan als enige mee naar je schrijftafel
en dan ontvouwt zich het verhaal. Door het uitspreken van dat ene zinnetje
weet ik meteen weer hoe die vrouw eruit zag, wat ze aanhad, wat voor
telefoon ze had, waar ze het zei.’
Volgens hem kijkt hij niet anders dan anderen. Ziet hij ook niet meer dan anderen. Hij heeft zich alleen getraind in het waarnemen van de goede details omdat ze zo belangrijk zijn bij het neerzetten van mensen, de personages in zijn miniaturen. ‘Het zegt iets over iemand als hij een pinkring draagt. Ik zal altijd vermelden dat hij een pinkring droeg, met name als het een gouden is. Ik zal er alleen nooit bij zetten wát het betekent een pinkring te dragen. Omdat het typisch een suggestief detail is waarvan het mooi is dat in het midden te laten. Maar iedereen denkt er iets bij - als je het opschrijft.’
Wat zegt het?
‘Het hangt erg van de ring af. Maar in zijn algemeenheid kun je zeggen dat een pinkring van meer dan gemiddelde ijdelheid getuigt.’ Hij kijkt naar zijn handen. Zelf draagt hij twee magnifieke zilveren ringen, waarvan een met een grote fonkelsteen. ‘Mannen met mooie ringen zie je zelden. Maar pinkringen heeft mijn juwelier me verboden.’
Gluren
Als kind gluurde Bril al door het raam naar de buren en probeerde hij zich hun
leven voor te stellen. Waarom komen ze altijd precies om elf uur ‘s avonds
thuis op een fiets? Wat voor types rijden in die opvallende auto die
verderop in de straat staat? Waar zouden ze vandaan komen? Nieuwsgierigheid.
Het gezin Bril woonde toen in ‘t Harde, een legerplaats op de Veluwe. Een ‘totaal gewoon gezin’. Zijn vader was vertegenwoordiger in waspoeder. Bril geeft de voorkeur aan de naam handelsreiziger: ‘Een mooier woord.’ Martin was de enige die las thuis, en hij las krankzinnig veel. Lid van drie bibliotheken, in drie plaatsen. Op vrijdagmiddag, op terugweg van school, fietste hij langs alledrie en haalde hij zo twintig boeken in huis voor het weekeinde.
‘Ik denk dat ik er niet bij wilde horen, me aan het gezinsleven wilde onttrekken. Lezen was voor mij de enige manier om dat te doen. Je kunt ook letterlijk vluchten, door weg te lopen of almaar met vriendjes op stap te zijn, maar ik vluchtte uit het gezin terwijl ik erin bleef. Typisch iets voor mij: erbij zijn en er niet bij zijn. Erbij horen en er niet bij horen. Wel tussen de verslaggevers achter de dranghekken staan, maar er geen zijn.’
Buitenstaander
Zo, als de buitenstaander die van binnenuit beschrijft, gaat hij nu ook weer
op pad, door heel Nederland. Naar Hoevelaken, waanzinnig interessant, ‘waar
mensen eindeloos aanleggen bij benzinestations en wegrestaurants’. Naar Den
Haag. ‘Ik liep laatst rond in het kamergebouw, nou da’s helemaal mijn
wereld. Vind ik gezellig. Beetje lullen en uit je doppen kijken en de zaken
volgen.’
Ziet hij de kousen van Annemarie Jorritsma, dan gebeurt er iets, dat prikkelt meteen zijn verbeeldingskracht. ‘Dan vertel ik in mijn stukje hoe ik bij die kousen kwam. Waarom die kousen mij bezighouden. Wat de kousen van Annemarie Jorritsma vertellen over de staat waarin het land zich bevindt. Of de economie in het bijzonder, in haar geval.’
Bril houdt van schrijven over niks. Hij kan zich verheugen op het vertellen over zo’n melancholiek klassiek Hollands beeld voor zijn deur - een lantaarnpaal onder een boom. Hij wil schrijven over de manier waarop de regen striemt onder die lantaarnpaal om zeven uur ‘s avonds, als het te vroeg is om donker te zijn, terwijl het toch al donker is. ‘Volgens mij zitten er wel tien stukjes in.’
Superonderwerp
Het weer, daar mag hij ook graag over schrijven. Een superonderwerp. Hoe regen
tikt, wat wind met mensen doet. Dat ze er onrustig van worden, net als
dieren. De wind hoeft nog niet op te steken of Bril is uit zijn humeur,
gejaagd, nerveus, chagrijnig. ‘O, ik haat wind, och!’
Hij is een onrustig mens. Een dag moet een doel hebben, anders is hij overgeleverd aan ‘allerlei impulsen’. Het was voor hem een voorname reden over te stappen van Het Parool naar de Volkskrant. ‘Ik vond dat ik te veel ging rondhangen in Amsterdam. De edge was eraf. Ik wilde niet iemand worden die zijn hele leven door dezelfde straten loopt.’ De lat moet hoger komen te liggen, hij wil meer van zichzelf vergen. ‘Jezelf in moeilijkheden brengen om verder te groeien, dat is goed. Tenminste voor mij.’
Onzeker
Mijn god, praten over zichzelf, lastig vindt Bril dat. Onzeker wordt hij
ervan. ‘Ik kan eigenlijk alleen trefzeker formuleren als het over mijn werk
gaat. Mijn zenuwarts en ik zijn er nog niet over uit waar dat aan ligt. Kan
ik iedereen aanraden trouwens, therapie. Het is altijd goed naar jezelf te
leren kijken. Bovendien: het kost maar twee tientjes per keer.’
Hij noemt het geestig dat hij redelijk gewichtig over zijn werk kan praten. Als het erop aankomt is het toch gewoon even een stukkie maken. ‘In de kleine ruimte is het bijzonder, maar op het totaal der dingen stelt het weinig voor.’
Zijn schrijfstijl wordt steeds kaler. Kan met leeftijd van doen hebben, maar het komt ook zeker voort uit een soort verlangen naar eenvoud. Cut the crap. Er moeten bijvoeglijke naamwoorden úit. Simpele mooie zinnetjes in de juiste volgorde achter elkaar zetten is al moeilijk genoeg.
‘Je hebt mensen die heel wild gitaarspelen, en dat gaat dan uren door. Ik hou meer van J.J. Cale. Altijd in vier minuten gepiept, maar het blijft wel hangen. Knap hoor.’