In een brief aan de Tweede Kamer (.pdf), getiteld Het beste onderwijs, kondigt Plasterk aan het onderwerp te agenderen. Hij vraagt zich af of het Nederlandse onderwijsstelsel ‘niet op te vroege selectie is gebaseerd’. Hij licht toe: ‘In elke internationale vergelijking signaleren clubs als de Oeso: wat is dat toch met Nederland? Is het niet gek dat uitgerekend daar kinderen op zo’n jonge leeftijd in een koker worden gezet? Dat is een te sterk signaal om te negeren.’
De PvdA-minister ontkent in een interview met de Volkskrant dat hij al tijdens deze kabinetsperiode (tot 2011) mikt op een stelselwijziging, een begrip waarvoor het onderwijs na decennia van structuurhervormingen allergisch is. Hij wil primair de leraren zo goed mogelijk hun werk laten doen. ‘In de eerste plaats is deze minister bescheiden en dienstbaar aan het veld. Dus voorzichtig zeg ik: laten we erover praten. Want dit stelsel is er niet voor eeuwig. Ja, dat is een eerste stap om iets weer op de agenda te zetten.’
De reden waarom de schoolkeuze moet worden uitgesteld, noemt Plasterk ‘het organiseren van sociale stijging’. Nu vallen er veel – vooral allochtone – jongens buiten de boot omdat vmbo en mbo slecht op elkaar aansluiten. Bovendien stelt de minister vast dat er zoiets bestaat ‘als een uitgestelde jeugd’ – jongeren wachten langer met beroepskeuzes maken. ‘Dan wordt het dus des te bezwaarlijker om vroeg voor te sorteren.’
De uitstel van het selectiemoment na het basisonderwijs is een onderwerp met een politiek brandbare geschiedenis. Plasterks partijgenoot en verre voorganger Van Kemenade bedacht in 1975 de Middenschool, waarin leerlingen tot hun zestiende jaar samen op een onverdeelde school zouden zitten. Over dat idee is verhitte politieke strijd gevoerd, maar uitgevoerd is het nimmer.
Een afgezwakte uitvoering, de basisvorming, werd in de jaren negentig wél werkelijkheid. De basisvorming is door de voorganger van Plasterk, Maria van der Hoeven (CDA), weer naar de prullenbak verwezen.
Plasterk kondigt ook een onderzoek aan naar de groeiende behoefte aan particuliere scholen, commerciële huiswerkbegeleiding, private testinstituten en studiekeuzeadviesbureaus. ‘Het is nog relatief gering, maar als het doorzet, stelt dit het onderwijsveld weer voor nieuwe vragen. Hoe kan de geboden kwaliteit zo hoog worden dat ouders niet de behoefte krijgen te gaan shoppen?’
Plasterk verwijt het ouders niet dat ze het beste onderwijs voor hun kinderen willen en bereid zijn daarvoor te betalen. ‘Maar wanneer is het beste niet goed genoeg?’