1500655
De Herengracht in Amsterdam. © ANP

'Amsterdam moet slimme mensen een goede woning kunnen bieden'

Opinie Wat is het grootste probleem van ons land en hoe lossen we dat op? Bijzondere denkers en doeners beantwoorden die vraag in een lezing in De Balie in Amsterdam. Gisteravond deed de Amsterdamse VVD-wethouder Eric Wiebes dat: 'Om slimme, innovatieve en ondernemende mensen aan te trekken en vast te houden, moet Amsterdam zijn sociale woningsector halveren.'

In 1966 kwam ik in Amsterdam wonen. Ik was drie en mijn vader kreeg als afgestudeerde Delftenaar een baan in Amsterdam. In de flat woonde nog een driejarig jongetje, mijn vriendje Willem. Toen woonden we in dezelfde flat, nu in dezelfde wijk, Slotervaart. Verder lijken onze levens in niets op elkaar. Dat hangt sterk samen met de economie van Amsterdam.

De economische groei van Nederland moet uit de steden komen. Bijzondere mensen wonen en werken in steden op een kluitje. Door die dichtheid worden ze productiever - samen verdienen ze meer en scheppen ze meer werk dan elk afzonderlijk, en meer dan buiten de stad. Maar steden worden alleen productiviteitsmachines als ze die bijzondere mensen weten aan te trekken. Wat zijn dat voor mensen?

Ze heten 'hoogopgeleid'. Maar dat etiket klopt niet helemaal. Er zijn genoeg mensen zonder titel die heel bijzondere dingen doen in de stad. Het gaat om mensen die slim zijn, innovatief én ondernemend. Die nieuwe zonnecellen ontwikkelen, nieuwe winkelconcepten bedenken, apps maken of spijkerbroeken ontwerpen. Ik noem hen keien. Want dat zijn ze.

De kei zorgt voor welvaart. Wie keien aantrekt, trekt welvaart aan. De kei creëert banen, niet alleen banen voor zichzelf, maar ook voor mensen met minder kansen op de arbeidsmarkt. Iedereen profiteert.

Kansrijk
Hoe trekt een stad keien? Ze zijn onafhankelijk, kunnen wonen waar ze willen en kiezen de aantrekkelijke steden. Naar Detroit en Liverpool kijken de keien niet om. Maar steden als Londen, Parijs, New York, Singapore en ook Vancouver, Berlijn, Kopenhagen en Seattle zijn fanatiek bezig keien aan te trekken. Er wordt stevig internationaal geconcurreerd om talent.

Amsterdam, met zijn historische binnenstad van allure, een open klimaat, groen en schone lucht, is in deze strijd buitengewoon kansrijk. We spreken onze talen en zijn wereldberoemd. Keien willen hier wel wonen.

Steden die succesvol zijn in deze strijd, zijn per huishouden welvarender dan het landsgemiddelde. Maar Amsterdam is een uitzondering. Daar ligt het huishoudinkomen onder het gemiddelde en de werkloosheid boven het gemiddelde. Amsterdam heeft 90.000 uitkeringen op 400.000 huishoudens, de AOW niet meegerekend, en 40.000 Amsterdammers moeten rondkomen van de bijstand.

Veelbelovende jongeren
Om te slagen kan een stad maar aan drie hendels trekken. Laten we ze langslopen om te zien hoe Amsterdam het doet. Ten eerste kan een stad veelbelovende jongeren aantrekken om hen zelf tot kei op te leiden. Studenten komen vooral op de stad Amsterdam af. Amsterdam helpt de universiteiten. Maar helpen de universiteiten Amsterdam wel genoeg? De hier instromende eerstejaars hebben lagere vwo-eindcijfers dan gemiddeld. De studenten én docenten tonen zich in enquêtes relatief ontevreden over hun instituut. En de mix van studies leidt tot ondergemiddelde arbeidsmarktkansen. Hier mogen we toch niet tevreden mee zijn?

Ten tweede kan een stad keien aantrekken ná hun opleiding. Waar gaan de afgestudeerden uit Delft of app-ontwerpers uit Canada wonen? Amsterdam heeft sociale woningbouw. Die biedt aan grote hoeveelheden mensen met lage inkomens een betaalbare woning. Maar die veelbelovende starters en nieuwkomers komen er niet voor in aanmerking. Waar andere steden sociale woningaandelen hebben van nul (Stockholm), 10 (Berlijn) of 20 procent (Parijs), behoort in Amsterdam 61 procent van alle woningen tot het sociale segment.

Bijna tweederde van onze stad is verboden toegang voor mensen die groei en dynamiek brengen. Tweederde van Amsterdam doet niet mee in de concurrentie om de kei. Het percentage wel beschikbare huurwoningen is 6 procent, vermoedelijk het laagste ter wereld.

Gelukkig hebben we de scheefwoner. Hadden we die niet gehad, dan daalde het Amsterdamse opleidingsniveau onder dat van Drenthe. Maar waren we niet net begonnen de scheefwoner aan te pakken? Stel je voor dat het lukt.

De derde hendel is de kei in de stad vasthouden. We weten dat de voordeur dicht zit. Maar de achterdeur staat open. De stad maakt een sociale stijging mogelijk en levert mensen een sociale etage hoger af. Daar verlaten ze de stad - zijn taak zit erop. Maar willen we dat? Als we weten dat welvaart ontstaat door een hoge concentratie keien, dan wil je die juist vasthouden. Zij zijn de economische motor. Nu verlaten de succesvollen de stad, terwijl degenen wier sociale stijging niet slaagt, achterblijven. Amsterdam heeft het hoogste percentage inwoners met een langdurig laag inkomen van Nederland.

Wie heeft hier iets aan? Degene die niet profiteert van de stijging heeft er weinig aan. Zoals mijn vriendje Willem. Havo niet afgemaakt. Na een loopbaan als glazenophaler in cafés zit hij nu al tien jaar in de bijstand. Meer economische dynamiek had ook hem aan het werk kunnen helpen. Willem wil niet alleen een woning, hij wil ook een baan. Nu zit hij met een lage koopkracht vast in een dure stad.

De middengroepen hebben er ook niets aan. Ze hebben de stad waarin alleen maar heel goedkope en heel dure woningen staan, verlaten. De boekhouder, de leraar en de accountmanager wonen in Purmerend en Almere. We hebben forenzen van hen gemaakt.

De kei heeft ook niets aan dit beleid. Die is op de Amsterdamse huurmarkt niet welkom. Kiest hij voor Vancouver, dan wordt het een appartement aan de baai. Kiest hij voor Amsterdam, dan wordt het Almere. De winnaar lijkt de scheefwoner. Die woont goedkoop in de stad van zijn keuze. Maar is het ook de woning van zijn keuze? Zijn voordeel vervalt bij verhuizing. Hij is als het ware gevangen in de woning. En blijft eindeloos een scheefwoner.

De mensen aan de bovenkant van de arbeidsmarkt hebben ook geen baat bij dit systeem. Maar, in alle eerlijkheid, ze hebben er ook niet zo veel last van. Wie genoeg geld heeft, vinde zich een woning. Ik vond er ook één toen ik in 2010 naar Amsterdam kwam. Het was de vroegere woning van de familie Wibaut.

In 2014 is het honderd jaar geleden dat Floor Wibaut, de grote voorvechter van sociale woningbouw, aantrad als wethouder van Amsterdam. Hij zag in dat economische voorspoed in Amsterdam gebaat was bij onderwijs ('sociale verheffing') en goede woningen. Prachtige Amsterdamse wijken heeft het opgeleverd, zoals de Spaarndammerbuurt.

Honderdduizenden Amsterdammers hebben een eeuw lang kunnen profiteren van goede woningen tegen een lage huur. Maar de vraag is of een heilzaam medicijn van honderd jaar geleden niet over zijn houdbaarheidsdatum heen is. We hebben de sterkst gereguleerde woningmarkt ter wereld. Die is uitgegroeid tot een belemmering voor de economie van de stad. Wibaut was een vernieuwer, maar wij hebben zijn gedachtengoed nooit vernieuwd.

Stad zonder muren
Waarom doen we dit? Dit beleid helpt allang niet meer tegen ongelijkheid. Wie de middengroepen de stad uit jaagt, bevordert juist de ongelijkheid. Het helpt ook niet tegen segregatie. Iedereen ziet toch de verschillen tussen binnen en buiten de ring. De mate van segregatie neemt in Amsterdam al twintig jaar toe. De meest gesegregeerde wijken zijn juist de wijken met veel sociale woningbouw.

Wat zou het voor Amsterdam betekenen als we écht gaan meedoen in de internationale strijd om de welvaart en de banen? Met hoger onderwijs dat talent aantrekt als een magneet. Met een stad zonder muren waar keien altijd welkom zijn. Door, bijvoorbeeld, het socialewoningpercentage te halveren tot zo'n 30 procent, gelijk aan het Nederlandse gemiddelde en gelijk aan het aandeel huishoudens met een laag inkomen. Nog altijd hoger dan bijna alle andere steden in de wereld. Als huurders hun eigen corporatiewoning mogen kopen en we meer bouwen in het midden- en hogere segment, waar het knelt, komen we daar in tien jaar op uit. Wat zou dat voor Amsterdam betekenen?

Ten eerste zouden we meer balans krijgen in de bevolkingssamenstelling. Het is een beetje een rare stad geworden, zo zonder middengroepen. Die zogenoemde 'ongedeelde stad' kom ik alleen in ambtelijke stukken tegen.

Onze economie zou ten volle profiteren van het supertalent van Amsterdam: minstens 1 procent extra economische groei gedurende tien jaar en 40.000 nieuwe banen, ook aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Hoe kun je in deze tijd verantwoorden om dit niet te doen? Wat heeft Willem aan sociaal beleid als hij daardoor niet aan het werk komt?

Er ontstaat dan ook meer keuze op de woningmarkt voor velen. Bestaande huurders van een corporatiewoning kunnen hun eigen woning kopen - als ze willen. Aantrekkelijk voor hen, winstgevend voor de corporatie, goed voor de stad, het maakt geld vrij voor nieuwbouw. Buitenstaanders, zoals ingenieurs uit Delft en app-makers uit Canada, kunnen de stad weer in. De middengroepen, waarvoor nu te weinig woningen zijn, komen weer aan bod.

Gevolg is ook minder forensenverkeer naar de stad. Mensen met werk wonen daar steeds verder vandaan. Ieder jaar komen zij in groteren getale van steeds verder weg naar Amsterdam. De groepen met de laagste arbeidsparticipatie wonen het dichtst bij het werk. Zo hebben we ons eigen vervoersprobleem gecreëerd. Minder regulering op de woningmarkt betekent ook minder druk op de ochtendspits.

Meer welvaart in de stad betekent ook meer inkomsten voor de gemeente. Zonder de tarieven te verhogen, komen er al gauw honderden miljoenen extra binnen voor mooiere straten en parken, ondergronds parkeren, meer veiligheid en minder graffiti. Maar mij trekt vooral het avontuur. Want groei betekent banen, maar ook zelfvertrouwen, ontplooiing, innovatie en initiatief. Groei betekent nieuwe ideeën, nieuwe diensten, nieuwe kunstvormen. Het betekent dynamiek op straat. Voorspoed en optimisme in de stad kun je zien, je kunt het voelen en ruiken. Het maakt een stad tot een avontuur voor iedereen die er verblijft.

Eric Wiebes is wethouder Verkeer en vervoer in Amsterdam.