Langdurig armen moeten het vaak doen met slechte huisvesting en hebben geen geld voor cadeautjes en goede tandheelkundige zorg. En soms is er ook onvoldoende te eten.
Langdurig armen moeten het vaak doen met slechte huisvesting en hebben geen geld voor cadeautjes en goede tandheelkundige zorg. En soms is er ook onvoldoende te eten. © Arie Kievit

Treurig beeld: langdurige armoede in Nederland hardnekkig

Stijging waarneembaar na economische crisis

Het aantal Nederlanders dat in langdurige armoede verkeert, is door de economische crisis snel gestegen. Dit blijkt uit een onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) naar hardnekkige armoede in Nederland.

Nederland telde in 2013 1,25 miljoen armen. Daarvan leefde bijna de helft (595 duizend mensen) minstens drie jaar onder de armoedegrens, het criterium voor langdurige armoede. Dat is bijna 4 procent van de Nederlandse bevolking. Voor de crisis (2007) waren er 850 duizend armen en lag het aantal langdurig armen op nog geen 500 duizend.

Het SCP verwacht niet dat het aantal armen ooit weer naar dat pre-crisisniveau zal dalen, ook niet als de economie verder aantrekt. 'De reden daarvoor is dat steeds meer mensen een flexibel contract hebben of zzp'er zijn', zegt onderzoekster Stella Hoff. Opvallend is dat bijna de helft van de armen (285 duizend) wel betaald werk heeft, maar dat het inkomen dat ze daarmee verdienen niet voldoende is om rond te komen. Langdurig armen moeten het vaak doen met slechte huisvesting en hebben geen geld voor cadeautjes en goede tandheelkundige zorg. En soms is er ook onvoldoende te eten.

Sportclub

Het SCP beschouwt personen als arm als zij een inkomen hebben dat te laag is om kleding, voedsel en huisvesting van te betalen, plus sporadische sociale uitgaven, zoals het lidmaatschap van een sportclub. In 2013 lag dat bedrag op 1.061 euro netto per maand voor alleenstaanden en 1.990 euro voor een gezin met twee kinderen. Het SCP noemt dit het 'niet-veel-maar-toereikend criterium'. Wie minimaal een jaar onder die inkomensgrens leeft, wordt door het SCP tot de armen gerekend.

Opvallend is de toename van de armoede in de laatste 25 jaar. Rond 1990 waren er betrekkelijk weinig mensen arm. Dat aandeel steeg in de periode 1991-1993, waarna opnieuw een daling volgde. Begin deze eeuw begon het aantal armen in Nederland weer te stijgen. 'Sinds 2008 is de armoede vrijwel onafgebroken toegenomen', zegt Hoff.

Het SCP meent dat de armoede in het verleden dikwijls werd onderschat, hetgeen veel te maken had met de definitie van armoede. De internationale definitie van armoede is een huishoudinkomen dat hoogstens 60 procent is van het inkomen van een doorsneegezin. Maar die definitie gaat er ten onrechte vanuit dat gezinnen die net iets meer verdienen genoeg geld hebben om de primaire levensbehoeften van te betalen. Ook de statistische methoden die het SCP en het CBS in het verleden gebruikten om armoede te meten, onderschatten het werkelijke probleem, stelt het SCP nu.

Het SCP concludeert dat het erg belangrijk is om huishoudens die in armoede vervallen, zo snel mogelijk hulp te bieden. Hoe langer de armoede duurt, hoe moeilijker het namelijk wordt om aan die val te ontsnappen. Van degenen die afglijden in de armoede lukt het 60 procent om daar binnen een jaar weer uit te komen. In het tweede armoedejaar lukt het nog maar 20 procent om uit die nare toestand te geraken. Vanaf drie jaar wordt armoede bijna structureel.

Terugval

Hoe moeilijk is het om in Nederland uit de armoede te ontsnappen?

Twee vrouwen vertellen wat het betekent om langdurig arm te zijn (+)

Het beeld wordt nog treuriger als ook de andere kant in aanmerking wordt genomen: het aantal mensen dat zich aan de armoede weet te ontworstelen, maar vervolgens toch weer terugvalt daarin. Van degenen die hun inkomen opvijzelen, vervalt 20 procent al na een jaar weer in armoede. Op langere termijn weet 40 procent van alle mensen die zich uit de armoede werken die verbetering van hun situatie niet vast te houden.

Voor mensen met een ontoereikend pensioen (meestal alleen AOW) is de kans om uit de armoede te geraken helemaal gering. 'Bij bijna 60 procent van de arme gepensioneerden is sprake van langdurige armoede', stelt Hoff. Gepensioneerden zijn relatief gezien niet zo vaak arm, maar als ze het zijn, dan vaak langdurig.

Een andere bevolkingsgroep die een hoog percentage armen telt, zijn niet-westerse immigranten met minderjarige kinderen. Van de armen onder hen is 66 procent langdurig arm.