Het atelier van Herman Brood, nagebouwd bij een overzichtstentoonstelling in Groningen.
Het atelier van Herman Brood, nagebouwd bij een overzichtstentoonstelling in Groningen. © ANP

Vanaf 2017 wordt vergoeding beeldend kunstenaars gekoppeld aan minimumloon

Na jaren van onderhandelen is er eindelijk een eerste stap gezet in het verbeteren van de inkomenspositie van beeldend kunstenaars. Vanaf 1 januari 2017 krijgen kunstenaars die hun werk tentoonstellen zonder verkoopdoel, een vergoeding gebaseerd op het wettelijk minimumloon.

De honorariumrichtlijn, een initiatief van onder andere Platform Beeldende Kunst, bevat tevens een checklist die kunstenaars beter helpt onderhandelen met musea en presentatie-instellingen.

Opvallend genoeg ontbreekt de Nederlandse Museumvereniging op de lijst van ondertekenaars van de nieuwe richtlijn

Opvallend genoeg ontbreekt de Nederlandse Museumvereniging op de lijst van ondertekenaars van de nieuwe richtlijn. Volgens Peter van den Bunder, bestuurder bij de Kunstenbond, zijn er behoorlijk wat concessies gedaan om de Museumvereniging aan boord te houden. 'We hebben de hoogte van het honorarium aangepast en een ingroeiregeling ingevoerd, zodat musea pas in 2020 het volle honorarium hoeven betalen. Maar toen puntje bij paaltje kwam, wilde de vereniging het convenant toch niet voorleggen aan haar leden.'

Vergoeding is een zaak tussen de kunstenaar en het museum zelf

Siebe Weide, directeur Museumvereniging

Siebe Weide, directeur van de Museumvereniging, vindt dat niet meer dan vanzelfsprekend: 'Wij zijn voor professionalisering aan de onderhandelingstafel. Maar dat is toch echt een zaak tussen de kunstenaar en het museum zelf. Wij gaan als vereniging niet over de hoogte van de vergoedingen van toeleveranciers.'

Een aantal (kleine en middelgrote) musea onderschrijft de richtlijn nu op eigen titel, zoals Bonnefantenmuseum Maastricht, Museum Arnhem en De Hallen Haarlem. Van den Bunder: 'Ik maak daaruit op dat kleinere instellingen veel dichter bij de kunstenaar staan dan de grote. Ze voelen het ongemak van de slechte honorering meer dan de grote musea.'