Van Gogh en Munch, briljante gekken met een penseel

Recensie Munch : Van Gogh

Van Gogh en Munch, twee briljante gekken met een penseel. Wat hen bindt en waarin ze verschillen, is nu goed te zien in het Van Gogh Museum.

Munch en Van Gogh, er zijn nauwelijks kunstenaars die zo weinig introductie nodig hebben en die zo tot de verbeelding spreken. In het legertje bekende namen dat in de tweede helft van de 19de eeuw werkzaam was - denk even aan Monet, Cézanne, Whistler, Gauguin -, waren zij de uitzonderingen: net iets bezetener, net iets uitgesprokener, net wat gekker en hun werk net wat iconischer. Zeg: 'De zonnenbloemen' of 'De schreeuw' en er verschijnt op ieders netvlies een fata morgana van gele, grof geschilderde zomervlekken of een bleek, verwrongen gezicht met drie wanhopige gaten.

Dat het Van Gogh Museum nu een dubbeltentoonstelling aan beiden wijdt, is daarom goed te begrijpen. Edvard Munch (1863-1944) en Vincent van Gogh (1853-1890) hebben op zich al genoeg appeal om grote stromen liefhebbers op de been te brengen. Dus wat zou er niet gebeuren als je ze alle twee uitnodigt? Natuurlijk, makkelijk was het niet om al die bruiklenen naar Amsterdam te krijgen. Maar nu dat is gelukt, blijkt hoe mooi het is om de ene stijl met de andere te vergelijken. En je af te vragen: wie van hen had het meest uitbundige kleurgebruik? Wat waren de verschillen in schildertechniek? Wie maakte de meest verwarde indruk? De tentoonstelling met de wiskundige titel als een rekenkundige verhouding, Munch : Van Gogh, laat je zelfs denken: wie was beter?

Toch is de tentoonstelling niet op de manier opgezet. Het museum heeft het oeuvre van beiden doelbewust in ensembles bij elkaar gehangen, gerangschikt onder artistieke of thematische termen als 'kleur', 'techniek', 'angst', 'troost'. Daardoor worden in de landschappen de vergelijkbare, grillige penseelstreken benadrukt; in de portretten de vertrokken gezichten. Op de bovenste verdieping is er aandacht voor wat de twee als hun belangrijkste opdracht zagen: een 'symfonie' van schilderijen te maken, een reeks van meesterwerken die de artistieke waarde ervan tot grotere hoogte zouden laten stijgen - gepresenteerd onder stemmige pianoklanken.

Overeenkomsten

Er kleeft alleen één klein nadeel aan dit soort hang-naast-elkaar-en-vergelijk-tentoonstellingen. Als je zulke oeuvres, die veel gelijkenis vertonen, bij elkaar toont, ben je geneigd om de overeenkomsten meer te benadrukken dan de individuele, onderscheidende kenmerken. Het is een oude waarnemingswet uit de gestaltpsychologie: het het oog zoekt graag naar ordelijke patronen in de chaos. In dit geval: gemeenschappelijke kenmerken of varianten daarop.

Wat daardoor minder aandacht krijgt, is het specifieke, eigenzinnige en juist volkomen individuele van beide schilders. Dat Munch mogelijk taferelen heeft geschilderd in een stijl waarmee Van Gogh zich nooit bezig heeft gehouden. Of andersom. Komt bij dat als je Munch naast Gauguin zou tonen, je andere 'karakteristieke' eigenschappen van de Noorse schilder krijgt. Presenteer Van Gogh naast Ensor en er doet zich ook veel gemeenschappelijks voor.

Op zich is het natuurlijk geen ramp. En het genot om naar de tentoonstelling te gaan, is er niet minder om. Laten we wel wezen: het is een feest voor het oog en de geest om de twee genieën - want dat waren het - zo te presenteren. Er doet zich bovendien veel wetenswaardigs voor, bijvoorbeeld over het vroegste begin van hun carrière - hoe moeizaam die van start ging en door welke kunstenaars ze werden beïnvloed. Zo keek Munch in het destijds provinciale Kristiania (nu Oslo) naar kunstenaars Christian Krohg en Hans Heyerdahl en Van Gogh in het niet veel opwindendere Brabant naar Millet en Israëls. Grappig te beseffen dat Van Gogh en Munch, de latere revolutionaire vernieuwers, zich in aanvang zo lieten leiden door traditionele, belegen schilders.

Visitekaartjes

Het leverde weliswaar een aantal karakteristieke werken op, die je als hun visitekaartjes kunt beschouwen. Niet alleen De aardappeleters en Munchs Ochtend (let op de vieze, eeltige voeten van de dromerig poserende dame), maar ook de twee oudemannenportretten. Die van Van Gogh: knoestig, sculpturaal geschilderd als met geboetseerde klei. Die van Munch: met waterige ogen, verraste grimas en een witte gelaatskleur alsof hij is geschminkt.

Die traditionele achtergrond maakt het overigens wel begrijpelijk dat zowel Munch als Van Gogh hun geboorteland ontvluchtten, naar Parijs, om daar rond 1850 het kunstvak onder de knie te krijgen. De Franse hoofdstad was een onstuimig cultuurbolwerk, een vergaarbak van impressionisten en neo-classicisten, van experimenterende dichters en erkende romanciers. Het is nu nauwelijks voor te stellen wat daar aan getalenteerde schrijvers en kunstenaars driftig zat te werken én in de kroeg zat.

Het verblijf aldaar deed de ontwikkeling van de twee ambitieuze schilders goed. Hoewel aanvankelijk alleen geïnteresseerd in de oude meesters in het Louvre, opende het vernieuwende impressionisme hun de ogen, en maakte hun werk vrijer, expressiever. Je ziet gewoon dat Monet, Pissarro, Gauguin en Toulouse-Lautrec indruk op ze hebben gemaakt. En dat de zeitgeist ze te pakken had: weg uit het bedompte, strenge, provinciale thuisland; in de grote stad met zijn mogelijkheden en de versnelling van de vooruitgang.

Maar de beste beslissing volgde enkele jaren later: toen beiden Parijs weer de rug toe keerden, het impressionisme lieten voor wat het was en een eigen onafhankelijke koers volgden. Pas toen kwam de energie echt goed los. In het geval van Van Gogh is anders niet goed te verklaren hoe hij tijdens de laatste twee jaar (in Arles, Saint-Rémy en Auvers-sur-Oise) de helft van zijn volwassen oeuvre bij elkaar schilderde - de beste helft.

Consistent

Als je de twee dan toch wilt vergelijken, valt op dat Van Gogh veel consistenter is - hoewel je dat woord bij hem met enige terughoudendheid moet gebruiken. Want consistent? Hij vrat olieverf, dronk terpentine, was af en toe zo gek als een deur. En toch, zoals ook in de vaste collectieopstelling van het museum blijkt, was de Brabantse schilder een doorzetter, iemand die wilde leren. Hij bouwde zijn schilderijen, hoe moeizaam aanvankelijk ook, op alsof het legoblokjes waren.

Het geeft zijn schilderijen iets robuusts. Constructiefs. Stevigs. Van Gogh permitteerde zich geen uitglijder. Hij wist verdomd goed waarmee hij bezig was. Wat uiteindelijk leidde tot die enorme werkexplosie, in de laatste twee jaar van zijn leven. En dat terwijl hij behoorlijk malende was.

Dat ze elkaar in Parijs tegen het lijf zouden zijn gelopen, blijkt niet zo te zijn. Munch en Van Gogh verbleven in andere clubjes. Van Gogh heeft de Noor nooit gekend, andersom kende Munch de schilderijen van zijn Hollandse collega wel. In elk geval zijn in Amsterdam een aantal schilderijen van Munch te zien die duidelijk de sporen van Van Gogh dragen: de manier waarop hij vrijende paartjes in het park schilderde, een sterrennacht.

Het mooiste in Amsterdam is toch om, zoals gezegd, naar het onderscheidende, karakteristieke van de twee schilders te zoeken. Kenmerken waarin ze geheel hun eigen weg zijn gegaan. Van Van Gogh kennen we dat, als landgenoten, wel zo'n beetje. We zijn met het werk opgegroeid.

Des te verrassender is dan ook de krankzinnige stijl van Munch en zijn onnavolgbare eigenzinnigheid. Hoe hij op een schilderij als Rode wingerd (wat in opzet verwantschap vertoont met Vincents Gele huis) onder in het beeld een verschrikt mannetje schildert met holle ogen en een dun hangsnorretje; zo in het beeld gezet alsof het plots boven de lijst uitsteekt. Munch heeft meer van deze markante taferelen. Het lijkt alsof hij het schildervak, dat hij in zijn beginjaren toch behoorlijk onder de knie had, naar mate hij ouder werd probeerde te ondermijnen. Alsof hij zijn vroegere imago als grote belofte moest afbreken om de vrijheid tegemoet te schilderen.

Onberekenbaar

Liefde voor het Louvre

Edvard Munch, Vincent van Gogh en moderne kunst - de combinatie is minder voor de hand liggend dan op voorhand gedacht. Tijdens hun verblijf in Parijs, rond 1885, waar ze elkaar niet zijn tegengekomen, was het vooral de liefde voor het Louvre en de oude meesters die ze artistiek bond. Munch 'versleet' de vloeren van het museum om zijn geliefde Velázquez te bewonderen (die hij in brieven beschreef als 'Velaskes'). Van Gogh staarde de eerste drie maanden van zijn verblijf naar het werk van Rembrandt en Delacroix.

Het resultaat is er dan ook naar. Goed gedoseerde melancholie, als in Het zieke kind, wisselt zich even makkelijk af met kleurige kitsch (Amor en psyche) of uit de klauwen gelopen symbolisme (De levensdans). Die dieptepunten waren blijkbaar nodig, als ventiel voor zijn woelige geest, net als de hoogtepunten.

Want ja, dan is er natuurlijk de krijttekening van De schreeuw. Gek ding eigenlijk, al was het alleen al dat Munch het op karton tekende, wat toch meer verhuizersmateriaal is. De voorstelling is slordig neergezet. Twee mannen op de achtergrond, met hoge hoed. Rechts een donkerblauw veld met groene en bruine lijnen. Links de perspectivische strepen van een verdwijnende brug. Boven de rood gekleurde lucht. Maar dan in het midden waar het allemaal om draait: de schreeuwende schedel met twee wanhopige handen.

Munchs ultieme kunstwerk en handelsmerk blijkt een krankzinnig efficiënt gemaakte tekening. Wanhoop die tot op het bot is teruggebracht tot wat het is: een lichte kalebas met ovale opening. Niets meer, niets minder, maar wel met een enorme impact. Weinig schilderijen die zo herkenbaar zijn en zich lenen voor de meest uiteenlopende persiflages: met schreeuwende pandabeer of superman, als voorbeeld voor het masker in Scary Movie en talloze selfies op internet.

De impact (en het succes) van de tekening en later geschilderde exemplaren van De schreeuw heeft iets van een toevalstreffer. Zo consciëntieus Van Gogh te werk ging, zo vluchtig, onberekenbaar en onnavolgbaar was Munch. Hij schildert als een lastig en verwend kind dat siroop over de keukentafel kiepert, pannenkoeken tegen het plafond gooit en limonade door het eten morst. Voor wie daarvoor in het Van Gogh Museum oog heeft, biedt de dubbeltentoonstelling een surplus aan verwondering.

Munch : Van Gogh, Van Gogh Museum Amsterdam 25/9t/m 17/1/2016