Pollocks en Picasso's verpieteren in kelder in Iran

De mooiste collectie westerse kunst buiten het Westen

Rutger Pontzen kreeg toegang tot de kelder van het Tehran Museum of Contemporary Art en trof er de schat van de Iraanse keizerin Farah, de mooiste collectie westerse kunst buiten het Westen.

Ze zouden komen, maar ze kwamen niet, de westerse kunstwerken die de Iraanse keizerin Farah Diba in de jaren zeventig verzamelde voor het Tehran Museum of Contemporary Art. Na de islamitische revolutie van 1979 werden ze in het depot opgeslagen om er zelden of nooit te worden uitgehaald. Te 'imperialistisch' immers en aangekocht door een 'fout regime'. Groot nieuws vorig jaar toen bekend werd dat dertig werken uit de verzameling in de Berlijnse Gemäldegalerie te zien zouden zijn.

Het enthousiasme was overweldigend, tot vorige week. Toen werd bekend dat die expositie, na veel overleg en uitstel, definitief is afgeblazen. Door de Duitsers. Voor hen duurde het allemaal te lang. Mooi dat Volkskrant-recensent Rutger Pontzen ze een maand geleden in de kelder kon bekijken. Nou ja, een glimp ervan. Van zijn expeditie naar de opgesloten schat hield hij het volgende logboek bij. 'Hoe is het mogelijk? Ik geloof mijn ogen niet. Wat een chaos! Wat een schat!'

Depots Tehran Museum of Contemporary Art

Sprookjespaar

Het leek een sprookje: het huwelijk van de 21-jarige architectuurstudent Farah Diba met de twintig jaar oudere sjah van Perzië, Mohammad Reza Pahlavi, in 1959. Twee wat schuchtere mensen die de dynastie moesten voortzetten. Beiden hadden liberale ideeën in een tijd waarin de progressie niet snel genoeg kon gaan, terwijl het religieuze conservatisme in Iran nog welig tierde, net als armoede en analfabetisme en de geldverspilling van het paar. Het leidde in 1979 tot de revolutie die ayatollah Khomeini aan de macht bracht.

5 december 2016

Een meter! Maar een meter zijn we van de schat verwijderd. Oké, plus een flinke kluisdeur met cijferslot én de besnorde depotopzichter die ons de weg verspert. Wie we zijn en wat we komen doen, had hij ons gevraagd. De vragen leken impertinent, maar vooruit: wij zijn een Iraanse fotograaf, Hollandse journalist, een tolk van de Nederlandse ambassade en de Nederlandse ambassadeur zelf. Wat we komen doen mag duidelijk zijn: we komen voor de verborgen meesterwerken die Farah Diba in de jaren zeventig voor het museum verzameld heeft. En dan hebben we het niet over een of ander aquarel van Anton Pieck of een derderangs ets van een Iraanse lokale grootheid, maar over de vibrerende kleurvlakken van Mark Rothko, een gedurfd drieluik van Francis Bacon, een originele 'zelfmoord'-zeefdruk van Andy Warhol en een van de meesterwerken uit het oeuvre van Jackson Pollock: Mural on Indian Red Ground uit 1950. Wat ons is verteld: het is de mooiste collectie westerse kunst buiten het Westen en het ligt hier in het depot. Achter die deur. Of we daar even mogen rondneuzen?

Het hoofd kelder & depot draait aan de punt van zijn snor en kijkt ons verbaasd aan. 'Geen sprake van. En zeker niet met een fotograaf.' We staan in een donkere gang. Schilderijen leunen tien rijen dik tegen de betonnen muur ('bruiklenen'). Het is warm. Aan het plafond hangt een enkel peertje. Op de achtergrond suist de wind door de ventilatieschacht.

Drie maanden mailen, bellen en onderhandelen heeft het ons gekost om uiteindelijk zo ver te komen: op een meter afstand van de kostbare kunstwerken die sinds de revolutie in 1979 slechts zelden, en dan nog in afgewogen kleine hoeveelheden, voor het oog van het publiek zijn getoond. Frustrerend. Het was toch de afspraak met de directie boven dat we beneden een blik in de kunstopslag konden werpen? En ja, meneer de journalist is ervoor helemaal uit Amsterdam gekomen, legt de ambassadeur uit. Zo iemand laat je toch niet wachten?

Veel indruk maken de opmerkingen niet. Zeg maar gerust, geen enkele. Wat de afspraak met de directeur daarboven is geweest, lijkt hier in de duisternis beneden niet in het minst te gelden. En of meneer de journalist nu uit Amsterdam of Timboektoe komt maakt het Kelder- en Depothoofd ook geen bal uit. 'U kunt net zo goed weer vertrekken.'

De discussie die volgt zou wel eens een heel interessante kunnen zijn geweest - over hoe de museale machtsverhoudingen tussen upstairs and downstairs precies liggen; over het gebrek aan geld om het depot een professionelere aanblik te geven; dat het niet de bedoeling is dat iemand uit Nederland die schrijnende omstandigheden vastlegt. Maar alles wordt in het Farsi besproken, en dat is 'meneer de journalist' niet machtig.

'Kijk', schijnt de kelderman te hebben gezegd, 'we hebben hier een overstroming gehad. Alle schilderijen hebben we uit de rekken geschoven om de ruimte te laten drogen.' Ter illustratie draait hij aan het cijferslot ('Weg met dat fototoestel!'), steekt de loper in het sleutelgat en zet de deur op een kier. Inderdaad, er is weinig te zien. Het zicht op wat het depot zou moeten zijn, wordt geblokkeerd door traliewerk waartegen ingelijste schilderijen hangen die ik niet ken. Daarachter moet ergens Pollocks Mural zijn opgeborgen, Rothko's No. 2 en Warhols Suicide. In plaats daarvan walmt ons een muffe lucht tegemoet. Chef kelder slaat de deur weer dicht en draait de sleutel om.

Voorlopige conclusie na een half uur bakkeleien: 'De schilderijen zijn niet te bekijken.' Maar omdat ze ook wel snappen dat de Nederlandse delegatie niet met lege handen huiswaarts kan, stelt de kelderchef voor een andere kluis te openen. De verbazing is groot. Links tegen de muur hangen losse delen van wat een omvangrijk buitensculptuur van Jean Dubuffet moet zijn. Erachter, op de grond, de vermaarde hardloper van Boccioni, naast een bronzen harlekijn van Max Ernst, die weer wordt vergezeld door een subtiel geboetseerde Diego van Giacometti. De drie beelden staan voor een met plastic en te strak touw ingepakt schilderij van Picasso. Ertegenover, onder een perspex kap, doemt een model op van de ingepakte Rijksdag van Christo en daarnaast weer, achteloos verstopt tussen andere beelden, een fragiele lattensculptuur van Sol LeWitt.

Hoe is het mogelijk? Ik geloof mijn ogen niet. Wat een chaos! Wat een schat! Ik voel me Howard Carter die de verzegelde deur naar de schatkamer van 'King Tut' heeft weten open te krijgen. Nu we hier staan, moet ook de toegang tot het schilderijendepot open, vinden we, overstroming of geen overstroming. Gelukkig begrijpt de chef depot uiteindelijk de onvermijdelijkheid van het verzoek, want ja, wie kan een Nederlandse ambassadeur nu tegenspreken? Hij voelt naar de sleutel in zijn broekzak. Gelaten loopt hij terug naar de vorige deur, draait morrend aan het cijferslot en spreekt ons vermanend toe: 'Alleen de journalist en de ambassadeur!'

Teheran

Heel soms buiten de muren

Uitgeleend zijn de Rothko's, Warhols, Picasso's en Pollock van het TMoCA mondjesmaat. De 'dripping' van Pollock, geschatte waarde 250 miljoen euro, werd vijf jaar geleden geëxposeerd in het Tokyo National Museum of Modern Art. In het Iraanse museum zelf werd het werk alleen opgehangen als politiek statement. De Amerikaanse schilderijen waren te zien in 2005, in aanloop naar de presidentsverkiezingen, in de hoop de wat liberalere atmosfeer te continueren. Zonder succes: de conservatieve Mahmoud Ahmadinejad won.

18 oktober 2015

Groot nieuws in kunstland: Majid Mollanoroozi, directeur van het Tehran Museum of Contemoporary Art (TMoCA) en Günther Schauerte, vicevoorzitter van Stiftung Preußischer Kulturbesitz, tekenen een contract om de collectie westerse kunst uit het Teheraanse museum in Berlijn te laten zien. Uitzonderlijk, omdat de kunstwerken tot nu toe sporadisch zijn geëxposeerd en uitgeleend.

De Duitsers zijn iedereen te snel af. Of bieden meer. Of beide. Niet het Hirshhorn Museum in Washington, het Städel Museum in Frankfurt of de Fine Arts Museums in San Francisco, maar de Gemäldegalerie in Berlijn (beroemd om zijn collectie klassieken van Rembrandt, Hals, Velázquez en Titiaan) is dus de grote winnaar geworden. Berlijn betaalt de Iraanse staat naar verluidt 3,5 miljoen euro, zorgt voor transport (in verschillende vliegtuigen om de hele verzameling bij een ramp niet in een keer kwijt te zijn) en, niet onbelangrijk, staat garant voor teruggave van de kunstwerken. De tentoonstelling met dertig westerse en nog eens dertig Iraanse schilderijen en beelden staat gepland voor december 2016 tot februari 2017. Daarna zal het doorreizen naar het Maxxi Museum in Rome.

De deal is duidelijk een gevolg van de detente tussen Iran en het Westen, dankzij het met de VS gesloten atoomakkoord, de beëindiging van de buitenlandse boycot en het politiek liberalere klimaat onder de Iraanse president Hassan Rohani. Ze zijn ook een bevestiging van de economische contacten. Duitsland en Italië zijn de belangrijkste handelspartners van Iran (Nederland schijnt op een mooie derde plek te staan).

Kunst en cultuur als bezegeling van economische (en militaire) belangen, het is niet de eerste keer. Kijk naar hoe Frankrijk en de Verenigde Arabische Emiraten hun militaire samenwerking vierden met de bouw van een nieuw Louvre op een zandplaat in Abu Dhabi (opening voorjaar 2017 - insjallah).

BERLIJN

18 mei 2016

'Kleine' kink in de kabel: onrust in de Duitse pers of de tentoonstelling nog wel kan doorgaan. TMoCA-directeur Mollanoroozi heeft namelijk een gevoelige faux pas gemaakt. Aanleiding: een tekenwedstrijd, uitgeschreven in Teheran, voor wie de beste karikatuur of cartoon over de Holocaust kon maken. De winnaar kreeg uit handen van, jawel, Mollanoroozi de prijs uitgereikt. Blijkt bovendien op de tentoonstelling de moord op de Joden veelal te worden ontkend.

Zoiets ligt in Duitsland gevoelig, hoewel het ministerie van Buitenlandse Zaken direct laat weten 'meer, niet minder contact' met Iran te willen leggen. Wel wordt Mollanoroozi vriendelijk verzocht, mocht de tentoonstelling in Berlijn worden geopend, zelf geen welkomswoordje te zullen uitspreken.

Amsterdam

5 oktober 2016

Waarom zou ik het voze plan niet oppakken, tentoonstelling of geen tentoonstelling in Berlijn, om zelf een kijkje in de kelders van het Teheraanse museum te nemen? Of op zijn minst, om meer te weten over het ontstaan van het museum, de hoofdrolspelers te benaderen. Eerste gegadigde is natuurlijk Farah Diba, opdrachtgever en geldschieter van de collectie. Gebruikmakend van de haast oeverloze toestroom van oliedollars in haar land, in de jaren zeventig, kwam ze op het idee die ook aan kunst en cultuur te besteden. Aanvankelijk aan het door haar opgerichte Shiraz-Persepolis Festival of Arts, waar sterren als Robert Wilson, Maurice Béjart, Arthur Rubinstein en Peter Brook acte de presence gaven. Later aan het museum voor hedendaagse kunst.

Dat de collectie van dat museum, na de revolutie, intact is gebleven, behoort tot een van de wonderen. Alleen het portret dat Warhol van de keizerin had gemaakt werd door anti-royalisten kapot gesneden. Alles wat voor de rest op zaal hing, lieten de revolutionairen ongemoeid en in de kelder beschermde de beheerder Firouz Shabazi Moghadam met gevaar voor eigen leven de westerse meesterwerken. Vanaf het moment dat de Islamitische Republiek Iran een feit was, is slechts één schilderij verkocht, Woman III van Willem de Kooning, een van de weinige naakten in de collectie, en dus controversieel en verkoopbaar. Het kunstwerk, destijds geschat op 22 miljoen dollar, werd onderhands verkocht, waarmee een kostbaar miniaturenboek van 3,5 miljoen dollar werd aangeschaft. Een deal die, volgens velen, blijk gaf van het feit dat de Iraniërs niets van kunst en de kunstmarkt wisten en dat ergens veel geld aan een strijkstok was blijven hangen. Op de Amerikaanse markt zou de De Kooning voor 137 miljoen dollar zijn doorverkocht. Kassa.

Hoewel op leeftijd is mevrouw Diba nog steeds in leven, 78 jaar oud, afwisselend wonend in Parijs (waar ze ooit een jaar architectuur studeerde) en New York (waar haar kinderen opgroeiden). De kans met haar in contact te komen lijkt me uiterst gering. Ze is en blijft natuurlijk wel de (derde) vrouw van de laatste Iraanse sjah, Mohammad Reza Pahlavi. Geprivilegieerd, afgesloten en op haar hoede, nadat ze op 19 januari 1979 uit Iran vluchtte, gedwongen door de voortdurende revolutie. Ook mogelijk niet spraakzaam tegen journalisten omdat haar tweede zoon enkele jaren geleden zelfmoord pleegde.

Tweede gegadigde: de huidige directeur van het museum, Majid Mollanoroozi. Maar ook die kans is klein: hij is aangeschoten wild door het Holocaustincident en daardoor niet aanspreekbaar.

Derde kandidaat is de 79-jarige Kamran Diba, inderdaad, zoals de naam suggereert, familie van de keizerin. Haar neef. Hij was niet alleen bedenker, oprichter en architect van het museum, maar ook de eerste directeur - een jaar lang om precies te zijn, van 1977 tot eind 1978. Toen vertrok hij naar het buitenland, aanvankelijk voor vakantie, naar later bleek voorgoed. Als iemand iets over het ontstaan van de collectie en het museum moet weten, dan is hij het.

Als ik neef Diba via Facebook een bericht stuur, krijg ik haast per omgaande antwoord. Hij is verheugd mij te spreken, héél verheugd. 'Ik stel je interesse voor wat ik heb gedaan zeer op prijs, iets wat de Iraanse regering nooit heeft gedaan.'

We kunnen elkaar al over een week of zo spreken. In de buurt van Málaga, waar hij een buitenhuis heeft. Nee, je kunt er niet met de auto komen ('U zou verdwaald zijn geraakt', zou hij later zeggen) en in de buurt is geen hotel. Hij biedt een lift aan en een slaapplaats bij hem thuis. Hij stuurt me ook een kopie van zijn autobiografie, ter informatie en, naar later blijkt, om zijn gelijk te etaleren over hoe de collectie is bijeengekocht - volgens hem dan. By the way, schrijft hij, 'heb je enige diëtistische beperkingen?'

Málaga

18 oktober 2016

Hij is kleiner dan ik dacht. Kamran Diba staat me met zijn vrouw op te wachten in de aankomsthal van Aeropuerto de Málaga-Costa del Sol. Vriendelijke oogopslag, stellige stem. 'Let's go.' Ik mag voorin plaatsnemen in zijn grote middenklasser. 'Dan kun je vast wat praten', legt zijn vrouw uit. Het gesprek gaat inderdaad al snel over de redenen waarom hij in de jaren zestig het plan bedacht in Teheran een heus museum voor eigentijdse kunst op te zetten, destijds een unicum in een regio waarin zulke instellingen niet bestonden.

Halverwege de twee uur durende tocht zet hij de wagen onverwachts stil in een bocht. 'Zie je die witte vlek tegen die berghelling? Dat is mijn huis.' Het witte vlekje oogt klein, wat ook gezichtsbedrog kan zijn, gezien het reusachtige bos dat zich eromheen uitstrekt. 'En trouwens', voegt hij eraan toe, 'de berg zelf is ook van mij.'

Het onderkomen, door hemzelf ontworpen, is inderdaad geen goedkoop optrekje: trapsgewijs tegen de helling gebouwd, rond een binnenplaats, waaromheen meerdere 'vleugels' liggen, waaronder de mijne (nummer 5), met slaap- en badkamer, eigen keuken en living met open haard, hangend aan het plafond. Als we later in de middag ons gesprek in zijn kantoor onderbreken (de haard is door de dienstbode aangestoken) wil hij even zijn terrein laten zien. Het is een behoorlijk bosperceel, gelegen op een 'eerste berg', wat volgens hem betekent: met vrij uitzicht over de Middellandse Zee.

Waar en hoe Diba op het museumidee was gekomen? In Amerika. Rond 1960 studeerde hij in New York architectuur. Daar leerde hij de kunstscene kennen en bezocht er haast dagelijks galeries en musea. Terug in Iran, als beginnend architect, vroeg hij zich al af waarom zoiets niet in Teheran kon. Hij richtte een kunstenaarsclub op, Rasht 29, en droomde daarna van een nieuw museum. Aanvankelijk voor Iraanse, later ook voor westerse kunst.

Belangrijk was de rol van zijn nicht. Farah Diba werd al snel na haar kroning in 1967 een actief begunstiger van de kunsten. Kamran: 'Ze bezocht galeries, kocht schilderijen aan. Ik werd haar informele adviseur, zonder salaris. Ik zag haar drie, vier keer per week; we gingen met de families op vakantie en bespraken met regelmaat het museumplan. Ik reisde veel rond en maakte ondertussen een maquette van het gebouw.'

Het duurde uiteindelijk nog vier jaar voordat het tot echt bouwen kwam in het Lelah Park, dat de keizerin van het leger kocht voor een beeldentuin. Kamran Diba ontwierp het museum deels in Iraanse stijl, met zijn binnenplaats, opbollende lichtvensters en omliggende paviljoens. Een ander deel is meer westers modernistisch, met een spiraalsgewijs oplopend zalencircuit à la Guggenheim Museum New York en afzonderlijke ruimten voor een café, auditoriom en bibliotheek.

Het geld voor het gebouw kreeg hij uiteindelijk van de overheid ('Als neef van de keizerin had ik overal makkelijk toegang, ook tot de minister van Cultuur'). De collectie werd aangekocht via het kantoor van Farah Diba zelf. Door de nationalisering van de oliemaatschappijen en de prijsafspraken binnen de zojuist opgerichte OPEC stroomde het geld binnen, en via de keizerin ook naar de kunst. Het budget was onbeperkt. Karman: 'Ik was niet een van de rijkste kopers. Ik was de rijkste!'

107 toppers voor 3,6 miljoen dollar

Hoeveel miljoenen dollars Farah Diba's kantoor precies neertelde voor welke kunstwerken is onduidelijk. Er is geen overzicht bewaard gebleven, als het er ooit al was. Zo zei journalist en conservator van het Tehran Museum of Contemporary Art David Galloway dat hij in acht maanden voor ruim 16 miljoen dollar had gekocht. Oprichter, architect en eerste directeur Kamran Diba (foto) liet, om niet beticht te worden van fraude, een gespecificeerde lijst maken: tussen 1977 en '78 werd 3,6 miljoen dollar betaald voor 107 kunstwerken.

Over de prijzen is hij openhartig. En dat hij zal zijn afgezet. 'We kregen geen korting.' Naar verluidt werd al in de vroege jaren zeventig met blanco cheques betaald. Veilinghuizen stuurden eenvoudig hun catalogus op waarin alleen nog kruisjes hoefden te worden gezet. Kamran zelf kocht in dat ene jaar voor 1,3 miljoen dollar aan (de Pollock en Rothko's waren toen al binnen), wat voor ruim honderd kunstwerken relatief weinig geld is. Francis Bacons drieluik en de Dubuffet waren toen al duur (rond de drie ton), maar Andy Warhol, Morris Louis, Franz Kline en Roy Lichtenstein goed te betalen (niet meer dan 90 duizend dollar), net als Jan Dibbets en Ger van Elk.

Kamran Diba wilde een programmatisch museumbeleid. Minder vrijblijvendheid. 'De koningin had het over Monet en Renoir als ze in Frankrijk op staatsbezoek was geweest.' Maar wilde je als museum een rol van betekenis spelen, dan moest je eigentijdse kunst verzamelen, was zijn filosofie. En het 'hoofdkantoor' van die contemporaine kunstwereld lag in New York. 'Ik maakte een lijstje van welke kunstenaars ik iets wilde en liet in Amerika de beste werken van hen kopen. Nee, het is heel anders dan wat ze nu in Qatar en de Emiraten doen. Die hadden tot vijftig jaar geleden niets, waren nomadisch, reden op paarden en leefden in tenten. Iran kent een geschiedenis van 2.500 jaar. In de 20ste eeuw werd het land cosmopolitisch, geliberaliseerd; vrouwen kregen eigen rechten.'

Kunst als een spirituele verrijking, niet als materialistische aanvulling op tv's en westerse auto's die het land overspoelden

Met de keuze voor hedendaagse Amerikaanse kunst wilde hij aansluiten bij de modernisering die in Iran langer in gang was gezet, bij het westerse leven, de vrijheid. Kunst als een spirituele verrijking, niet als materialistische aanvulling op het arsenaal tv's, ijskasten en westerse auto's die het land overspoelden. En het mooie was: het land stond er volgens Kamran Diba toen nog voor open. 'Op de opening van het museum, 14 oktober 1977, de verjaardag van de koningin, hing ook gewoon het naakt van De Kooning. Ik wilde een van de vijf beste collecties ter wereld hebben. Jammer dat ik de tijd er niet voor heb gehad.'

Na de woelige zomermaanden van 1978, toen de onlusten tot een eerste hoogtepunt kwamen, werd duidelijk dat in de top van het oude regime iets moest veranderen. Ook in de top van de westers georiënteerde museumstaf. 'Er werd mij door het bestuur verweten dat ik te dictatoriaal handelde en aankocht, zonder overleg.' Eind 1978 werd Kamran Diba door zijn nicht gevraagd af te treden. 'Het paste in de taktiek om de revolutionairen het idee te geven dat aan de top in Iran de belangrijkste mensen werden ontslagen en vervangen.'

Gemäldegalerie Berlijn

10 november 2016

Op doorreis van Leipzig naar Amsterdam even de Gemäldegalerie in. Schitterende klassieke collectie in een betonnerig jarentachtiggebouw. Dat hier de tentoonstelling met moderne schilderijen uit Teheran komt is eigenaardig. Het sluit nergens aan op wat ze al hebben, namelijk schilderkunst van de 13de tot en met de 17de eeuw. Ik wandel door immense zalen. Sommige zijn al ontruimd voor de ontvangst van de Teheraanse collectie. De officiële opening stond gepland voor 4 december, maar dat blijkt niet haalbaar. Een nieuwe datum is niet bekend.

Het uitstel zou te wijten zijn aan het aftreden van de Iraanse minister van cultuur. Het wachten is op een nieuwe die, zo wordt gespeculeerd, weer eerst ergens een handtekening moet zetten, waarna het ook weer door andere commissies en adviseurs moet worden goedgekeurd. Het uitstel komt ook door de garanties die de Iraanse overheid eist dat de werken daadwerkelijk terugkeren en niet door iemand (Farah Diba) of iets (een bedrijf dat nog een schuld met Iraanse regering te vereffenen heeft) geconfisqueerd zullen worden. En ja, dan blijft er nog een discussie of alle werken wel echt zijn en niet verkocht en vervangen door vervalsingen.

Dan blijft er nog een discussie of alle werken wel echt zijn en niet verkocht en vervangen door vervalsingen

Depot Tehran Museum of Contemporary Art

5 december 2016

We zijn nu ruim een uur in de donkere kelder als we uiteindelijk in het gewenste depot worden binnengelaten. Moeizaam wringen we ons tussen de uitgetrokken rekken een weg naar voren. De Pollock hangt nu nog een paar meter van ons vandaan. Ergens achterin herken ik de roodbruine schoenpoetsgloed van de onderschildering die Pollock voor zijn dripping uit 1950 gebruikte, een van de laatste meesterwerken die hij heeft geschilderd, zes jaar voor zijn dood. We zijn er bijna.

Klein probleem: er staat een ander schilderij voor geparkeerd. Of dat niet weg kan? 'Geen sprake van', zegt chef sleutel, depot & kelder. Wederom is de enige tactiek: omzichtig maar dwingend delibereren. Steeds blijkt maar weer hoe gevoelig deze collectie is, in dit museum, met dit wat verwaarloosde depot en het flipperkastspel tussen de directie boven en de kelderbevolking. Je merkt aan den lijve dat de collectie een politieke speelbal is: aangekocht in liberale tijden, met oliegeld, door kunstliefhebbers en opportunisten, en in een kelder opgesloten als een politieke gevangene met een 'verkeerde' mening. Symbool van hoe het ene autoritaire regime overging in het andere. Woorden als 'artistiek', 'waardevrij'en 'autonoom', die we normaal graag voor kunst gebruiken, krijgen er een heel andere betekenis door.

Een kwartiertje discussiëren later schuiven we het obstakel met witte handschoentjes aan de kant. Nu staat ons niets meer in de weg. Met lichte tegenzin en een zwaarmoedige ademhaling trekt de depot-, sleutel-en kelderchef het rek met de Pollock naar buiten - deels, verder dan driekwart is door alle andere uitgeschoven rekken niet mogelijk. Van het schilderij zelf is weinig te zien dankzij de 'florissante' belichting: er brandt slechts een enkele tl-buis en het licht op Pollocks meesterwerk wordt grotendeels ontnomen door alle andere schilderijen.

Maar potdomme, ook in het summiere schijnsel van die ene lichtbuis blijkt wel hoe geweldig dit doek moet zijn op zaal, bij daglicht, tegen een witte wand. En hoe het destijds bij de onthulling een zucht van verlichting moet hebben ontfutseld. Als een totale bevrijding. Door de ongebonden stijl waarin het is geschilderd én door de aankoop zelf: in een land waarin de moderne tijd definitief zijn intrede leek te hebben gedaan. Een schitterend doek, hoewel ik voor de zekerheid even de handtekening controleer. 'Jackson Pollock '50' staat er in zijn karakteristieke gekrabbel geschreven. Pffff. Hopelijk is het geen vervalsing.

Potdomme, ook in het summiere schijnsel van die ene lichtbuis blijkt wel hoe geweldig dit doek moet zijn onder ideale omstandigheden

Berlijn

27 december 2016

Wederom groot nieuws voor de kunstwereld, alleen treuriger: de tentoonstelling in Berlijn is definitief afgeblazen. De pr-afdeling van het Berlijnse museum had al eerder laten weten dat het ging om het afgeven van een exportvergunning en dat de Iraniërs treuzelden. Het blijft natuurlijk speculeren waarom. Was er toch een gegronde angst dat het werk door bijvoorbeeld Amerikaanse bedrijven die nog een schuld bij Iran hadden uitstaan, zou worden geconfisqueerd? Of waren het de aankomende presidentsverkiezingen, volgend jaar, die roet in het eten zouden goeien? Als het liberale bewind van president Rohani door een conservatievere zou worden vervangen? De expositie in Berlijn is afgeblazen. Dat die in Rome nog doorgaat lijkt onwaarschijnlijk.

Maar nu nummer één en twee op de Iraanse handelsbalans (hoogstwaarschijnlijk) zijn afgehaakt, ligt het voor de hand dat nummer drie - Nederland - een poging waagt. Niet?