Ein mögliches System, 1967.
Ein mögliches System, 1967. © A.R. Penck

Penck vertegenwoordigde de vrije geest, die onder Hitler het loodje had gelegd

A.R. Penck (1939-2017)

A.R. Penck stierf afgelopen week op 77-jarige leeftijd. Samen met zijn collega's gaf hij de naoorlogse schilderkunst in Duitsland weer een gezicht en een imago.

Hij hoorde samen met zijn collega's Georg Baselitz, Jörg Immendorf en Markus Lüpertz tot de kunstenaars die de naoorlogse schilderkunst in Duitsland weer een gezicht en imago gaven. A.R. Penck zorgde in de jaren zeventig met zijn drie bandenleden voor een frisse doorstart, met schilderijen die uiteenspatten van de energie en de verwerking van het omstreden, 20ste-eeuwse verleden dat in Duitsland met kilo's, zeg maar tonnen tegelijk voor het opscheppen lag.

Afgelopen week stierf Penck op 77-jarige leeftijd na een lang ziekbed.

A.R. Penck, pseudoniem voor Ralf Winkler, werd geboren in 1939 in Dresden, waar hij zich meerdere keren bij de plaatselijke academie aanmeldde, maar nooit werd aangenomen. Hij zou uiteindelijk naar het Westen verhuizen, net als Immendorf, Baselitz en de al eerder geëmigreerde Lüpertz. De vier zijn verantwoordelijk voor de opleving van de expressionistische schilderstijl die in Duitsland al door Ernst Ludwig Kirchner, Max Beckmann en Emile Nolde een rijke traditie kende, maar die onder Hitler als 'entartet' werd bestempeld en verboden.

De kracht waarmee die opleving plaatsvond is wel te begrijpen. Kort na de Tweede Wereldoorlog werd alle kunst uit Duitsland als besmet gezien, en niet te vertrouwen omdat Hitler en consorten het jarenlang als propaganda voor hun 'idealen' hadden gebruikt. Het vroeg bij de naoorlogse generatie kunstenaars om een sterk tegengeluid. Waarbij de kunstenaars in eerste instantie dezelfde beeldmotieven gebruikten als in het Derde Rijk: adelaars, staalhelmen, Hitlerjugend-jongeren, maar dan op een gewelddadige manier geschilderd (en soms met de kettingzaag uit bomen gehakt) waarmee ze de Nazibetekenis probeerden te ontkrachten.

Penck was daarin een herkenbare exponent, temeer omdat hij al snel zijn eigen stijl vond: een graffitiachtige hiëroglyfentaal met zogenoemde 'lucifermannetjes' die een revolutie lijken te verkondigen, als een opstandige generatie die zich niet langer laat knechten. Ze vertegenwoordigen in ieder geval de vrije geest; diezelfde vrije geest die zowel onder Hitler-Duitsland als in de (voormalige) DDR het loodje hadden gelegd. Nu is hij zelf aan de beurt, hoewel het werk nog tijden pal overeind zal staan.