Duitse minister van Buitenlandse Zaken Frank-Walter Steinmeier (tweede van rechts) bekijkt een schilderij van Jackson Pollock in het Tehran Museum of Contemporary Art in Iran, 17 oktober 2015.
Duitse minister van Buitenlandse Zaken Frank-Walter Steinmeier (tweede van rechts) bekijkt een schilderij van Jackson Pollock in het Tehran Museum of Contemporary Art in Iran, 17 oktober 2015. © DPA

Iran stelt uitleen omstreden kunstcollectie aan Duitsland uit

De tentoonstelling van westerse kunst uit Iran is door het bewind in Teheran uitgesteld.

Het had een van de spectaculairste tentoonstellingen dit najaar moeten worden: meesterwerken uit het Tehran Museum of Contemporary Art in Iran. Geplande opening: 4 december aanstaande, in de Gemäldegalerie in Berlijn. Met werk dat in de jaren zeventig onder het bewind van de sjah van Perzië werd gekocht: een dripping van Jackson Pollock, kleurvlakken van Mark Rothko, een zelfmoordschilderij van Andy Warhol, een dubbelportret van Francis Bacon, brede kwaststreken van Franz Kline.

Duidelijk is dat de beslissing samenhangt met het aftreden van de liberale cultuurminister Ali Jannati

De commotie was groot, de verwachtingen waren hooggestemd, maar vooralsnog is de tentoonstelling uitgesteld. Onduidelijk is tot wanneer. Duidelijk is wel dat de beslissing, genomen in Teheran, samenhangt met het aftreden van de als liberaal geldende cultuurminister Ali Jannati, afgelopen oktober. Hij was het die met de Duitse minister van Buitenlandse Zaken, Frank-Walter Steinmeier, de overeenkomst voor de tentoonstelling tekende.

De expositie zou een bijzondere worden. Nog nooit zouden zo veel kunstwerken uit het Teheraanse museum op transport zijn gegaan: dertig stuks, aangevuld met dertig schilderijen en beelden van Iraanse kunstenaars. De collectie wordt in Iran als omstreden gezien: aangekocht met geld van Farah Diba (de vrouw van de sjah), samengesteld uit grotendeels Amerikaanse kunstwerken en naar de kelder verbannen na de revolutie in 1979.

Na de islamitische revolutie werd het instituut en zijn collectie als verwerpelijk gezien

Het Tehran Museum of Contemporary Art werd in 1977 geopend. Het was een initiatief van Kamran Diba, neef van Farah Diba. Kamran Diba is architect, had zijn opleiding in Amerika genoten en was daar op het idee gekomen om in Teheran een equivalent van het Museum of Modern Art in New York te stichten.

Na de islamitische revolutie werd het instituut en zijn collectie als verwerpelijk gezien: Amerikaans abstract expressionisme en popart golden lang als imperialistisch en kapitalistisch, temeer daar het met oliegeld van een verkeerd regime was aangekocht. Ook voor het Iraanse publiek was de verzameling lange tijd niet te zien, hoewel daar de laatste tijd, dankzij een wat gematigdere politieke leiding, verandering in kwam.

Het uitstel van de tentoonstelling in Berlijn heeft mogelijk ook een andere reden. Geruchten doen de ronde dat in Teheran de angst bestaat dat het werk in Berlijn door Farah Diba geconfisqueerd zal worden. Diba, die nu in Parijs en New York woont, zou een beroep op de collectie kunnen doen, omdat het destijds met geld uit haar stichting is aangeschaft en zij de kunstwerken nog steeds als haar privébezit beschouwt. Onduidelijk is nu wanneer de Berlijnse tentoonstelling, die daarna zou doorreizen naar Rome, te zien zal zijn.