Lorenzo Lotto, Maria met kind en Johannes de Doper en Catharina van Alexandrië, 1522
Lorenzo Lotto, Maria met kind en Johannes de Doper en Catharina van Alexandrië, 1522 © Rijksmuseum Twenthe

In het hart van de Renaissance is te klein voor de ruimte die ze moet vullen

Beeldende kunst - In het hart van de Renaissance

Een tentoonstelling met Italiaanse meesters in Nederland is per definitie winst, maar deze expositie is niet over de hele linie geslaagd. De selectie is te klein voor de ruimte die ze moet vullen en wisselvallig bovendien.

In het hart van de Renaissance

Beeldende kunst
Schilderkunst uit Noord-Italië, 1500-1600

Rijksmuseum Twenthe. T/m 18/6.

Rafaëls Christus is een Christus voor onze tijd. Buikspieren. Lekker kleurtje. Hij ziet er belachelijk goed uit voor een kerel die net drie dagen in het graf heeft doorgebracht, maar Rafaëls Christus is dan ook een zegenende Christus: het is Christus als overwinnaar op de dood. Vandaar het Men's Health-waardige lichaam; vandaar de zachte, onaardse blik. Voor In het hart van de Renaissance, een expositie in het Rijksmuseum Twenthe van Noordelijke renaissanceschilders uit de Pinacoteca Tosio Martinengo in Brescia, koos men hem begrijpelijk als posterboy.

Italiaanse meesters zijn dun gezaaid in Nederlandse musea. Een fraaie collectie schilderijen en werken op papier in Museum Boijmans van Beuningen, een indrukwekkende verzameling tekeningen in Teylers - daar houdt het op. Met de veiling van Willem II's koninklijke collectie in 1849 verdwenen de Zuid-Europeanen uit ons land om nimmer weerom te komen, een leemte die zich tot op heden laat voelen. Dat het Rijksmuseum Twenthe er nu tijdelijk veertig in huis heeft (van makers uit Venetië, Cremona, Bergamo, Lodi en Brescia) is per definitie winst.

Wat niet betekent dat de mooi vormgegeven expositie over de hele linie geslaagd is. Dat is ze niet. Het concept, kunst uit Noord-Italië, is waterig, zeker als je bedenkt dat het land indertijd bestond uit stadstaten en dat kunstenaars veel reisden voor opdrachten; de selectie is te klein voor de ruimte die ze moet vullen en wisselvallig bovendien. Gevolg: de expositie zakt halverwege in als een soufflé. Een Tintoretto waarvoor de meester zich in zijn graf zou omdraaien, enkele zalen vol tamelijk drakerige maniëristen - het is behelpen. Maar de eerste acht zalen van de expositie zijn de moeite waard.

Dat geldt in het bijzonder voor de ruimte met portretten van Moroni. Zijn schilderij Il Tagliapanni (De Kleermaker) behoort tot de meest gewaardeerde werken uit de National Gallery. Het schilderij is niet representatief voor Moroni's oeuvre. Normaal gesproken waren het exuberant geklede burgers en geleerden die model stonden voor de portrettist uit Bergamo. Hier hangen er een handvol: een jurist met een enorme bult op z'n voorhoofd, ontspannen achterover leunend in z'n stoel; een in elegant zwart gehulde man (een dichter, een geleerde?) die een beetje op de acteur Gijs Scholten van Aschat lijkt; een in roze uitgedoste jonge vent met baardje en nogal kinky kousen en diens tweede vrouw, die een vermaard essayist was. Zij is afgebeeld met parelketting, brokaten jurk, waaier met struisvogelveren en nuffig marterbontje. Een pauw in alles, behalve de schoonheid, om met de schrijver te spreken, maar het delicate schilderwerk doet je mond evengoed openvallen.

Portretten als die van Moroni brachten de bezitter in contact met afwezige of overleden dierbaren; Lorenzo Lotto's Maria met kind en Johannes de Doper en Catharina van Alexandrië (1522) bracht tijdgenoten in contact met heiligen. Het toont Johannes (met banderol met Ecce agnus Dei-opschrift en, vreemd genoeg, drie tepels), Maria, de heilige Catharina en, leuke toevoeging, een eekhoorn; kleine Christus staat op een doodskist, een vooruitwijzing naar de offerdood. Overtuigende plastiek, karaktervolle koppen: het is een gelaagd werk. Het heeft de bevalligheid van een Rafaël (Lotto assisteerde hem in Rome), maar niet de behaagzucht. Qua zoetheid is het net een tandje minder.

Brescia's oudste kunstmuseum

De Pinacoteca Tosio Martinengo heeft als enige museum in Noord-Italië meer dan twee Rafaëls.

Brescia's oudste kunstmuseum werd aan het einde van de 18de eeuw opgericht. Het kwam voort uit de collecties van twee particulieren, die van Paolo Tosio en Leopardo Martinengo da Barco.

Tosio was een jurist van adellijke komaf. Rond 1820 kocht hij drie werken van Rafaël: Zegenende Christus, Maria met kind en een jongensportret dat in de 19de eeuw werd herkend als een engel uit het verwoeste altaarstuk van de Sant'Agostino in Città di Castello: Rafaëls vroegste bekende werk. Hiermee is de Pinacoteca het enige museum in Noord-Italië met meer dan twee Rafaëls.

In 1851 werd de voorloper van het museum in palazzo Tosio geopend. In 1889 verhuisde het naar het door graaf Leopardo Martinengo da Barco nagelaten palazzo Martinengo da Barco. Thans wordt het museum verbouwd en is een deel van de collectie op reis.