Die onwetendheid is even verontrustend als geruststellend als men bij Jongstra aan het begin van een stuk een alinea als deze leest: 'Soms verdwijnen er boeken. Zo kreeg ik van een vriendin eens een fotokopie van de lijvige negentiende-eeuwse studie The Society of Dilettants. Ik legde haar in tijdnood van toen in mijn brede kast, naast titels als De leer der toevallige ontdekkingen, Een geschiedenis van nutteloze kennis en Paul Levy's De wil. Verstandelijk ontwikkeld en toegepast als geneesmiddel (1932).'
Het boek over de 'nutteloze kennis' zou ik wel graag willen lezen. Het kan wellicht inzicht geven in Jongstra's geest, die een pakhuis vol van die kennis is, zoals zijn net verschenen omvangrijke boek De tak van Salzburg - Autobiografie van een lezer haast per bladzijde te verstaan geeft.
'Pakhuis' is wat oneerbiedig; de geest is een bibliotheek en die is, de grootste prestatie, systematisch geordend (zoals het citaat al kan aantonen).
Zeventien jaar was Jongstra verdwenen in boekhandels en bibliotheken (en in de toverkast van het internet), al die jaren las hij voor ons wat wij nooit onder ogen kregen; hij verzamelde kennis uit alle grensgebieden van het weten. Al die boeken en kennis heeft hij nu geordend in deze autobiografie van een leesgeest, die zijn veelzijdigheid en onvermoeibaarheid wellicht verklaart in dit zinnetje: 'Je stuit voortdurend op feiten waarvan je niet wist dat je er zo graag kennis van wilde nemen.'
'Voortdurend' is te zwak; het is áltijd. Jongstra heeft een onpeilbare nieuwsgierigheid. Die ligt achter zijn bouwdrift aan de encyclopedie van het randweten.
In drie afdelingen geordend krijgen wij verslag van de gelezen boeken, uit de echte wetenschap, maar ook veel uit de para-wetenschap, die zich vooral beweegt op religieus, medisch en zedenkundig terrein. Eén boek is uitgangspunt of staat centraal. Het roept nagenoeg altijd een aantal gelijksoortige boeken op. Vaak lijkt een bibliotheekhoek gewoon te ontploffen: alle boeken over veefokkerij bijvoorbeeld liggen ineens rondom ons. Maar de grote tekst en het grote weten zijn de auteur niet genoeg. Op haast elke pagina staan voetnoten, de waarschijnlijk ongewoonste uit de geschiedenis van de voetnoot (een boek over de historie daarvan wordt uiteraard in De tak van Salzburg besproken).
De noten verklaren niet een gegeven uit de tekst nader, maar een enkel woord eruit geeft aanleiding tot het noemen van weer andere boeken (je kunt bijna geen woord bedenken waarover Jongstra geen boek kent). Op bladzijde 64 noemt hij, even sprekend over de katholieke emancipatie, de schrijver Alberdingk Thijm en de architect Cuypers. 'Architect' krijgt een noot. Die luidt zo: 'Aandacht voor een bijzondere categorie architecten in Leslie Garisto, From Bauhaus to Birdhouse. Imaginative Housing for the Feathered Community (1992), een monografie over de architectuur van het vogelhuis, vogelonderkomens als flatgebouwen, Zwitserse chalets, Memphishuisjes, kerken, landhuizen, paleizen, classicistische optrekjes, tot en met een vogelhuisje in de vorm van een schemerlamp. Met uiteraard een praktisch gedeelte, waarin een lijst van gatdiameters voor de verschillende leden van de gevederde gemeenschap.'
Jongstra houdt van opsommingen, lijsten, volledigheid vooral. Hij is uiteraard een heel groot boekenverzamelaar, maar niet minder een kenniscollectioneur. Ik zie hem zitten tussen alles wat hij heeft en weet en bijna niemand heeft of weet. Over de schijndood door de eeuwen bijvoorbeeld, over de blunderclub, over de geschiedenis van het weer, over historische vergissingen, bedevaarten. Honderden onderwerpen, duizenden boeken. Rechtlijnig doet Jongstra nooit verslag van zijn lectuur. Hij gaat allerlei zijstraatjes en steegjes van de kennis in. Dat maakt het lezen van zijn stukken zeer aangenaam, maar ook wat vermoeiend; dat laatste niet het minst door de aangehouden opgewekte toon van de auteur. Hij heeft er altijd zin in en bezit vooral een niet te stuiten lust om ons van al zijn bevindingen te vertellen. Ik moet hem in één ding teleurstellen. In zijn voorwoord, dat 'Het kristal der wijzen' heet, spreekt hij de hoop uit 'dat deze autobiografie van een lezer velen tot exempel kan dienen'. Ik twijfel daar sterk aan. Het voorbeeld volgen: er is geen beginnen aan. Ik moet er ook niet aan denken.
Bij het lezen moest ik even zijn wat ik niet ben: een veelvraat. Ik denk dat men bij De tak van Salzburg het best zichzelf op rantsoen kan stellen. Alleen de tweede afdeling, 'Reizen', laat zich in zijn geheel achter elkaar lezen. Ze is van de drie het meest rechtlijnig, veel te veel enkelspoor, te veel alleen navertellen ook en daardoor het minst interessant. Op zijn best is Jongstra in wat men stapelproza kan noemen: feit op feit, boek op boek, citaat op citaat. Vergeefsheid op vergeefsheid ook. Want wat is er niet allemaal met de hoogste bedoelingen voor niets geschreven.
Het grootste raadsel waarmee ik achterbleef, is de structuur van Jongstra's geest. Het tweede, iets kleinere, dat van zijn moed het isolement te aanvaarden. Wie zo leest, komt alleen te staan, tenslotte eenzaam voor de grens van het denken, die laatste grote ordening van al het gelezene. Er zijn nog twee kleinere raadsels. Op pagina 325 verklaart de auteur in Burtons The Anatomy of Melancholy te zijn blijven steken. Het boek verstofte in zijn kast. Op pagina 401 noemt hij hetzelfde boek 'een van de meest uitputtende, meest briljante werken die ooit zijn verschenen in de sfeer van het menselijke'. Laatste raadsel: op pagina 144 ontdekt Jongstra 'tot zijn ontsteltenis' La nouvelle Justine van De Sade te hebben verkocht. Op bladzijde 357 citeert hij een fragmentje uit het boek, 'de mooiste fictieve voetnoot die ik ken'.
Er bestaat niet alleen een denkbeeldige bibliotheek, maar ook een denkbeeldig geheugen. De overvloed en het fantastisch karakter van de boeken brengen je in de bekoring van de gedachte aan denkbeeldige boeken. Maar ze zijn allemaal echt. Dat is treurig voor de mensheid.