Adema’s anekdote staat opgetekend in het boekje Vliegenzwammen op het Rapenburg – Paddenstoelen in de binnenstad van Leiden, waarin hij 250 paddestoelsoorten bijeen heeft gebracht. Het boekje is vergelijkbaar met dat van Rob Chrispijn e.a., Champignons in de Jordaan, waarvan het zich volgens de auteur op Leidse wijze onderscheidt: ‘Het heeft {bovendien} iets statigs, vliegenzwammen op de mooiste gracht van Europa, zoals wij Leidenaren plegen te zeggen, tegenover de volkse champignons in de Jordaan.’
Hoe verandert een eenvoudig bioloog in een fanatieke paddestoelenverzamelaar, een mycoloog die altijd en overal de netstelige heksenboleet zal herkennen, de bloedende buisjeszwam of de trechtercantharel? Adema had in de natte zomer van 1987 een baantje als suppoost bij een tentoonstelling in de Leidse Hortus Botanicus. Het was goed (nat) paddestoelenweer, en uit verveling begon hij de omgeving af te grazen. Hij determineerde de paddestoelen die hij vond, deed op verzoek uiteindelijk de hele tuin en wijdde er zelfs een artikel aan. Zo is het dus gekomen: 21 jaar paddestoelenonderzoek.
In zijn boekje haalt Adema met instemming de Leidse bioloog-hoogleraar Jan Lever aan, die ooit de stelling verkondigde dat de steden in het westen eigenlijk de bossen van Nederland zijn vanwege hun grote verscheidenheid aan bomen in tuinen en straten, die allerlei insecten, vogels, planten, paddestoelen en andere organismen aantrekken.
Die rijkdom zie je op een aardige manier terug in Adema’s boekje, keurig gerangschikt naar soort, met een uitstapje naar de eetbare soorten. Wat je ervan kunt leren: niet de vervuiling vormt het grootste gevaar voor de stadspaddestoel, maar de maaimachine.
Wim Wirtz