Toerist in eigen land

Arjan El Fassed, zoon van een Nederlandse moeder en een Palestijnse vader, kwam in 2002 teleurgesteld terug uit Palestina. In een familiekroniek onderzoekt hij zijn wortels en identiteit....

Zoontje Daan pakt een walnoot op in de tuin van Arjan El Fassed. Hij overweegt of hij hem zal weggooien, maar legt hem dan keurig weer weg. Weinig doet hier, in de Utrechtse wijk Kanaleneiland, denken aan de omgeving waar El Fassed grote delen van zijn jeugd doorbracht: Palestina. Of het moeten een paar Arabische voorwerpen in de huiskamer zijn. En de jarendertig-foto’s in de gang, waaronder een van Jeruzalem. El Fassed, kind van een Palestijnse vader en Nederlandse moeder, schreef Niet iedereen kan stenen gooien ook voor zijn zoontje, zegt hij. ‘Zodat hij later weet wat zijn vader gedaan heeft voor de Palestijnse zaak en waar zijn wortels liggen.’ Schrijven en pleiten kan El Fassed, die tal van conflicthaarden voor zijn werk bezocht, heel goed. Ander vormen van verzet liggen hem minder.‘Arjan, jij kunt geen stenen gooien’, zegt Bassam Shaka’a, de oom van Arjan, als die weer eens gehavend terug komt van een schermutseling bij een Israëlische controlepost op weg naar het familiehuis in Nabloes. Het is 1996 en Arjan El Fassed heeft zich net in Nabloes, de drukste stad op de Westoever, gevestigd. Zijn oom Bassam, getrouwd met de zus van El Fasseds vader, was er burgemeester totdat hij bij een bomaanslag in 1980 zijn benen verloor.‘Stenen zijn niet jouw sterke punt’, lacht zijn oom. Maar wat moet Arjan El Fassed dan? Hoe kan hij de Palestijnse zaak helpen?Hij is 23, net afgestudeerd in Leiden, en beseft ten volle dat hij zowel Nederlander als Palestijn is. Hij voelt zich als een ouder van een tweeling, schrijft hij in Niet iedereen kan stenen gooien. Hij houdt zielsveel van allebei, maar een is erg ziek. El Fassed wil helpen, hij zoekt een goede dokter, wil medicijnen en hoopt maar dat het kind niet permanent gehandicapt is. Hoe kan hij het zieke kind beter maken?Zijn oom is voor El Fassed sinds jaar en dag een vraagbaak. Als jongetje bezoekt hij met zijn ouders tijdens vakanties zijn familie in Palestina. Hij speelt er met neefjes en nichtjes en verheugt zich met zijn vader en moeder steeds op het weerzien, op het huis waar zijn familie woont, de tuin en de fruitbomen van oom Bassam. Het is een idyllische wereld waarin politiek geweld nog ver weg is.Jaren later ontdekt El Fassed dat de werkelijkheid veel minder idyllisch is dan hij dacht. Zo blijkt zijn vader officieel helemaal geen Palestijn meer te zijn. El Fassed: ‘Na de Zesdaagse Oorlog van 1967 vindt er een Israëlische volkstelling plaats. De Palestijnen die op dat momen niet aanwezig zijn in het land, gelden niet langer als wettige bewoners. 90 duizend Palestijnen, onder wie mijn vader, verliezen zo hun verblijfsrechten. Hij heeft vanaf die tijd geen recht op terugkeer.’Vader El Fassed werkt sinds 1963 in Vlaardingen bij de ROMI, de Rotterdamse Margarine Industrie, uitgenodigd door Nederlanders die op hun beurt als adviseur in Nabloes werken bij een aantal raffinaderijen voor olie en zeep in die stad. ROMI heeft een gebrek aan personeel. Door die Israëlische maatregel kan vader El Fassed zich niet meer legitiem in Nabloes vestigen. Hij kan alleen als toerist terugkomen. Zonder zekerheid dat hij inderdaad een visum krijgt.‘Ik weet nog precies wanneer ik me echt van mijn Palestijnse achtergrond bewust werd. Dat was 2 juni 1980. Ik was 6 jaar oud en hoorde dat oom Bassam zwaar gewond was geraakt toen een bom ontplofte bij zijn auto in Nabloes.’ Het is wereldnieuws, want in die jaren zijn het de Palestijnse burgemeesters die het verzet aanvoeren tegen de Israëlische heerschappij over de Westoever en tegen de bouw van nieuwe joodse nederzettingen in bezet gebied. Oom Bassam geldt als belangrijkste burgemeester. Bijna zeventig procent van de Palestijnen beschouwt hem in die jaren als hun leider. In die tijd zijn de Palestijnse Autoriteit en hun leider Yassir Arafat nog niet aan de macht. Het zal nog 13 jaar duren voordat de PLO met het tekenen van de Oslo-akkoorden Israël erkent. Op zijn beurt erkent Israël daarop de PLO als dé vertegenwoordiger van de Palestijnen. De lokale Palestijnse leiders hebben plaats gemaakt voor beroepsbestuurders met een fijne neus voor het eigen belang, zoals El Fassed later zal ontdekken.‘Ik hoorde het nieuws aan de keukentafel. Hoewel ik nog maar klein was, kan ik me goed herinneren dat mijn moeder het nieuws harder zette. Ze belde het ANP om te vragen of het waar was. ’s Avonds keken we naar het Journaal. Ik zag oom Bassam, hij leefde nog. Hij zei: ‘Ze hebben mijn benen afgerukt, maar dat betekent alleen maar dat ik dichter bij mijn land ben. Ik heb mijn hart, mijn verstand en een rechtvaardig doel om voor te strijden.’ Voor de strijd had hij geen benen nodig.’ Ook op andere burgemeesters worden aanslagen gepleegd. De daders blijken later radicale joodse kolonisten te zijn, met nauwe banden met het leger. De Verenigde Naties veroordelen de aanslag en de toenmalige Franse president Giscard d’Estaing en de Amerikaanse president Jimmy Carter nodigen Bassam Shaka’a uit om in hun landen geopereerd te worden. Na zijn herstel keert hij terug naar Nbloes, met twee kunstbenen en een aangepaste auto.Als Arjan op de middelbare school zit, begint het tot hem door te dringen dat de Palestijnse werkelijkheid een andere is dan de Nederlandse. Bijna 15 is hij, bij het begin van de intifada in 1987: de Palestijnse volksopstand tegen de bezetting van de Westoever en Gaza. Op de tv in zijn veilige huiskamer in Vlaardingen ziet hij dat zijn leeftijdsgenoten, zijn neefjes en nichtjes, dagelijks de straat op gaan om te demonstreren. Hij voelt voor het eerst het onrecht waarmee zijn familie te kampen heeft. Het knaagt aan hem, hij moet wat doen. De versie van het Palestijns-Israëlische conflict die hij op school en op straat in Nederland hoort, klopt helemaal niet met wat hij tijdens zijn bezoeken aan Nabloes hoort: zijn oom die is opgeblazen, zijn neven die gevangen zijn gezet en zijn gemarteld door de Israëli’s. Zijn opa Radi die bij een bombardement met raketten en napalm in 1968 om het leven komt als Israëlische vliegtuigen stellingen van Palestijnen bestoken. Of de talloze vluchtverhalen van familieleden en vrienden die hun dorpen en steden in 1948 moesten verlaten en nu – ontheemd – in vluchtelingenkampen of elders wonen. El Fassed: ‘In totaal zijn in de aanloop tot de stichting van de staat Israël op 14 mei meer dan 750 duizend Palestijnen ontheemd, verdreven of gevlucht. Ik wil dat zij niet vergeten worden.’ Een half jaar na het begin van de intifada is hij weer in Nabloes. Op familiebezoek. Stenengooiers, avondklok, traangas, bezorgde ouders, stakingen en gewonden symboliseren de volksopstand tegen de bezetting. El Fassed wil zijn steentje bijdragen. Vanaf die tijd laat het conflict hem niet meer los. Hij gaat helpen het op te lossen. Op school wil hij geen piloot of brandweerman worden, zoals andere jongens, maar journalist of liefst ambassadeur. Nederlands ambassadeur in Palestina of Palestijns ambassadeur in Nederland: het is hem om het even. Hij wil zich voor de Palestijnse zaak inzetten en meebouwen aan een democratisch land. Dus besluit hij na zijn middelbare school politieke wetenschappen te gaan studeren, om daarna in Palestina te gaan werken. Vanaf 1996 woont hij met enkele onderbrekingen meer dan drie jaar in Palestijns gebied. Op zoek naar genezing voor het zieke kind. Het wordt een deceptie. De Palestijnse Autoriteit zit inmiddels stevig in het zadel. El Fassed zet zich in voor burgerrechten, maar Palestijnen onderdrukken Palestijnen, zo blijkt. Arafat is aan de macht en elke kritiek verboden. ‘Taboe zijn Arafat, zijn beleid, zijn familie, zijn financiën, zijn naaste adviseurs en ga zo maar door. Ik deed in 1997 onderzoek naar corruptie. Veertig procent van de begroting, 326 miljoen, was weg, 35 procent ging naar de veiligheidsdiensten, 12 procent naar Arafats bureau en 9 procent naar de bevolking.’ In 2002 houdt El Fassed het voor gezien, hij heeft een burn out. Zijn droom bij te kunnen dragen aan een democratische staat is voorbij. Opgebrand vertrekt hij naar Nederland. Hij wil afstand nemen en een andere vorm vinden om bij te dragen aan de Palestijnse zaak. Dat doet hij door de kroniek van zijn familie te schrijven, tevens het verslag van zijn zoektocht naar zijn wortels en identiteit.In Niet iedereen kan stenen gooien wil hij de lezers aan de hand meenemen, zegt hij. ‘En met hen door het conflict wandelen vanuit Palestijns perspectief. Bij onrecht kun je niet neutraal zijn.’ Misschien voelde hij dat nergens zo sterk als bij het familiegraf in Nabloes. ‘Daar stonden we, mijn oom, mijn vader en ik. In een stad waar onze voorvaderen zijn geboren en gestorven. Mijn vader en ik met een toeristenvisum. Als ik als joodse jongen was geboren, zonder enige familieband met Israël of Palestina, had ik simpelweg het Israëlisch staatsburgerschap kunnen krijgen. Dan had ik me op elke plek in Israël of de bezette gebieden kunnen vestigen. Maar wij, wij zijn toerist in eigen land.’