Ook het onderwijs jaagt kinderen op

Paul Helders stelt terecht dat we kinderen niet moeten opjagen (Voorpagina, 15 november).

Helders richt zich vooral op de ouders: die verwachten te veel van hun kinderen; die duiden pijn te snel als iets ernstigs; die zien bij hun kinderen te snel een ontwikkelingsachterstand. Als ontwikkelingspsycholoog kan ik dit, tot mijn spijt, alleen maar onderstrepen. Wel wil ik een nuance aanbrengen en op de bredere context wijzen. De nuance is dat het gesignaleerde probleem zich volgens mij vooral voordoet bij hoger opgeleiden. Zeker, ook veel lager opgeleide vaders willen dat hun zoon Cruijff evenaart, maar ten aanzien van school en de cultuur met een grote C meen ik toch dat vooral hoger opgeleiden hun kind(eren) opjagen. Verder schat ik dat ongeveer de helft van hen dit doet. Zij staren zich blind op gemiddeldes voor leeftijden en maken zich al zorgen als hun kind een maand over het gemiddelde zit. En als hun kind van bijna 6 jaar oud kan lezen (terwijl daar gemiddeld 6,5 jaar voor staat), denken ze dat het hoogbegaafd is. De andere helft van de hoger opgeleiden heeft zich goed georiënteerd op de ontwikkeling van hun kind. Zij weten dat als het op het ene ontwikkelingsdomein drie maanden voor loopt, het op een ander domein wat achter loopt. Zij maken zich geen zorgen bij enkele maanden vertraging. En zij trekken zich ook niets aan van de magere beoordelingen die scholen van de onderwijsinspectie krijgen als zij de ontwikkeling van kinderen zwaarder laten wegen dan het eisenpakket dat die onderwijsinspectie oplegt. Daarmee zitten we in de bredere context: het hedendaagse onderwijs jaagt kinderen op. Daarmee bekrachtigen ze het gedrag van die ouders die uit zichzelf al geneigd zijn tot dat opjagen. Mij zijn drie maatregelen bekend die dat opjagen bevorderen. De eerste opjagende maatregel is dat basisscholen wettelijk een kind binnen acht aaneengesloten kalenderjaren door het basisonderwijs moeten loodsen (Onderwijswet, artikel 8 lid 7a). Als een schooljaar op 20 augustus begint, ligt er op een kind dat op 20 juli jarig is en feitelijk 8 jaar en 1 maand voor de basisschool nodig zou hebben vanwege een trage ontwikkeling, dus een druk om het binnen 7 jaar en 1 maand te doen. In de tweede plaats krijgt een school een negatieve score van de inspectie als ze meer dan 3 procent van de leerlingen laat doubleren. Toen er nog niet zo'n bepaling was, lag dat percentage veel hoger. Uit een onderzoek blijkt bijvoorbeeld dat in 1964 11 procent van de kinderen in klas 1 (de huidige groep 3) bleef zitten en in de hogere klassen 7 tot 8 procent. De derde maatregel treft kleuters die tussen 1 oktober en 31 december jarig zijn - de herfstkinderen. Als ze op hun zesde verjaardag in groep 2 zitten, gelden ze voor de inspectie als zittenblijver. Herfstkinderen worden dus feitelijk al met 5 jaar en 8 tot 10 maanden geacht naar groep 3 te kunnen gaan, terwijl een kind gemiddeld pas met 6,5 jaar schoolrijp is. 'Dan blijven herfstkinderen toch nog een jaartje in groep 2!', zal menig lezer verzuchten. Ja, maar nemen we een school met 8 groepen van elk 28 leerlingen. Volgens de kansrekening zijn er dan 7 herfstkinderen, terwijl 3 procent van de hele school (224 leerlingen) 6,72 leerling is. Door alle herfstkinderen te geven waar ze ontwikkelingspsychologisch recht op hebben, kan de school geen andere kinderen meer laten doubleren, terwijl er door het hele opjaagsysteem genoeg zijn die een extra jaartje goed zouden kunnen gebruiken. Terwijl veel ouders ertoe geneigd zijn om spreekwoordelijk in hun uil een valk te zien, versterkt ons onderwijssysteem dit dus. Dat neemt zelfs heel perverse vormen aan. Zo loopt aan 40 Twentse basisscholen al enkele jaren een project waarbij alle leerlingen van de groepen 1 en 2 elke dag 3-4 kwartier 'letterkennis' doen. Gemiddeld kennen ze na 350 lesuren 16 letters, maar kunnen ze niet lezen. Dat kost dus bijna 22 uur per letter! En dat terwijl een kind dat aan lezen toe is, in 40 lesuren alle letters kent en ook nog eens kan lezen. Als ontwikkelingspsycholoog en als belastingbetaler denk ik dan: 'We stelen 310 uren van deze kleuters door ze dingen, waar ze wél aan toe zijn, te onthouden en we verkwisten belastinggeld. Onmiddellijk stoppen!' Maar nee, een beoordelingssysteem 'meet' hoeveel letters kinderen aan het begin van groep 3 kennen. Die 40 scholen scoren uiteraard hoog, maar scholen die pas met letters beginnen als een kind eraan toe is, scoren laag. De omgekeerde wereld. De oplossing? Het dient een aanvaard cultuurgoed te worden dat kinderen ergens aan toe moeten zijn voordat zij van een aanbod kunnen profiteren en dat de overgangen per ontwikkelingsdomein en per kind variëren. Onder leerkrachten van het basisonderwijs en bij Paul Helders leeft dit idee al. We komen er pas als alle onderwijspedagogen en ontwikkelingspsychologen dit idee unisono uitdragen aan ouders, de Onderwijsraad en de politiek. Ewald Vervaet is ontwikkelingspsycholoog, schrijft columns in Ezeltje Prik over de psychologische ontwikkeling en is ontwikkelingspsychologisch medewerker bij www.kinderinfo.nl.