Maar ja, wat is cultuur nog in dit land?

Ik stond voor het schap met de ontbijtkoek de pluspunten van kruidkoek af te wegen tegen de voordelen van rozijnenkoek, toen naast me een vrouw begon te zingen....

In mijn brievenbus waren honderd brieven binnengekomen over het Groningse woord ‘grèl’, en de belangrijkste brief belandde zelfs in de krant, met de strenge mededeling dat ik het woord verkeerd van mijn moeder had geleerd; het betekende volgens de briefschrijver ‘nijdig’. Maar wie verder had gelezen in het Nieuw Groninger Woordenboek, had kunnen zien dat het ook nog vele andere dingen kon betekenen. Smoorverliefd, verlekkerd, manziek. En zo keek de vrouw in de winkel inderdaad precies, een beetje behaagziek. ‘Come along,’ zong ze, ‘and share the good times while we can.’ Het lag aan Dolly Parton, die met een liedje over rozentuinen uit de luidsprekers kwam, en al gauw zong de hele winkel mee. Het begon erop te lijken dat ik als figurant was terechtgekomen in een Postbus-51-spotje met een crisisboodschap van de regering. ‘Along with the sunshine, there’s gotta be a little rain sometimes.’ Natuurlijk was het deftiger geweest als Puccini door de winkel had geschald en de vrouw naast me was losgebarsten in een klassieke aria – Ik heb pijn, ik ben geteisterd! O God, ik wil sterven! O Dio, vorrei morir! – maar ja, wat is cultuur nog in dit land? Niets ten nadele van Dolly Parton, maar soms zou je willen dat mensen eenzelfde enthousiasme konden opbrengen voor de hogere kunsten. Die hebben het moeilijk deze dagen. Omroep C gaat roemloos met zijn cultuurplannen ten onder nog voordat hij is begonnen; Jeroen Brouwers krijgt van misprijzende Volkskrantlezers te horen dat ze voor literatuur niet willen betalen en dat een kunstenaar maar armoede moet lijden; kunstcriticus Robert Hughes kwam in Tilburg, waar hij de Nexuslezing hield, vertellen dat kunstenaars vroeger mooiere kunst maakten dan tegenwoordig. Zo lijkt er al met al eerder sprake van een cultuurcrisis dan van een kredietcrisis. En natuurlijk is de kredietcrisis in feite een cultuurcrisis – maar dat geeft niemand graag toe.De lezing van Hughes was amusant en ik gaf me graag gewonnen; terwijl ik zat te luisteren, nam ik me braaf voor zelf ook enthousiaster te worden voor de hoge cultuur en veel vaker naar de innigheid van Vermeer te kijken en veel minder vaak naar de buitenkantigheid van Jeff Koons. Helaas houdt dat soort voornemens nooit lang stand, maar voor een kort moment voel je je toch opgetild naar het niveau van de spreker. Ditmaal was er echter ook een kort moment waarop de spreker juist afdaalde naar mijn niveau, en dat was toen hij vertelde over casinomagnaat Steve Wynn, die in 2006 Picasso’s schilderij Le Rêve aan hedgefondsmiljardair Steven Cohen had verkocht voor 139 miljoen dollar. Daags voor de overdracht wilde Wynn de Picasso even laten zien aan een paar gasten, onder wie Nora Ephron en Barbara Walters, maar helaas deed hij een stap te ver naar achteren en doorboorde het meesterwerk met zijn elleboog. De koop ging niet door.Kunstcriticus Hughes vroeg zich in Tilburg nog vruchteloos af wat Wynn op het moment suprême had geroepen, maar thuis kon ik dat vrij gemakkelijk achterhalen via The New Yorker van oktober 2006. Volgens dat verslag zei Steve Wynn, met zijn elleboog door de Picasso: ‘I can’t believe I just did that. Oh, shit. Oh, man.’ Dat leek me adequaat. Maar waarom mijn geest aan dit voorval bleef hangen, wist ik pas weer toen ik op zoek ging in mijn archief. Tussen de krantenknipsels over kunstvernieling en kunstvernietiging vond ik een stukje uit Het Parool van 5 mei 1986; het ging over Picasso en de vrije markt.In 1986 hadden twee eigenaren van een postorderbedrijf besloten een linoleumsnede van Picasso op te delen in vijfhonderd stukjes van 2,5 vierkante centimeter en elk stukje afzonderlijk voor 135 dollar te verkopen. Aan de actie was een ideëel doel verbonden, zeiden de mannen van het postorderbedrijf; iedere gewone Australiër zou op deze manier een meesterwerk in huis kunnen halen. Als het idee aansloeg, gingen ze veel meer meesterwerken opkopen en in stukjes knippen.Het idee sloeg overigens niet aan, en het plan ging niet door, maar in Australië ontstond wel wat beweging in het denken over de rechten van kunstenaars. De morele rechten, die maken dat je niet zomaar een werk van een kunstenaar mag vernielen, en in het verlengde daarvan de financiële claims. Australische politici bedachten dat een kunstenaar er immers wel erg bekaaid afkwam op een markt waar de waarde van zijn werk explodeerde, zonder dat hijzelf aanspraak kon maken op het geld.De zaak van de verknipte Picasso is me altijd blijven interesseren, omdat je er de uiterste consequentie van het marktdenken mee kunt illustreren. Als ook kunst louter een kwestie van vraag en aanbod is, waarom zou je de Nachtwacht dan niet gewoon kapot knippen en aan vijfhonderd mensen verkopen? Zodra je argumenten daartegen bedenkt, heb je het al over de intrinsieke waarde van het werk, de waarde die los staat van de geldwaarde, en voor je het weet ben je genoodzaakt toe te geven dat je Jeroen Brouwers niet zonder meer naar de markt kunt verwijzen.De markt is geen goede graadmeter voor wat belangrijk is, was de kernboodschap van Robert Hughes. 139 miljoen dollar betalen voor een schilderij is pervers, of de markt die prijs nu dicteert of niet; een werk wordt niet belangwekkender doordat het duurder wordt. Eigenlijk was dat gewoon de boodschap die ook Dolly Parton in de supermarkt bracht: I could promise you things like big diamond rings – maar het gaat ten slotte toch om wat echt is.