Leg het Europees Hof aan banden

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens tast democratisch tot stand gekomen wetgeving te zeer aan.

Tot nu toe is de Nederlandse politiek opvallend stil gebleven over de uitdijende rol van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens. Toch wordt in een aantal landen om ons heen die discussie op het scherp van de snede gevoerd. Reden is dat het Hof zich de afgelopen jaren op basis van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) over een steeds breder terrein is gaan uitspreken.

Toen de Tweede Kamer in 1954 het EVRM goedkeurde, leefden we in een ander Nederland. Er waren nog geen grote problemen op het gebied van migratie en van een verzorgingsstaat had nog nooit iemand gehoord. Voor zover er sprake was van migratie ging het vooral om vertrek uit Nederland naar Canada en Nieuw-Zeeland. Sociale zekerheid was nog zeer beperkt, pas in de jaren zestig en zeventig werd een uitgebreid stelsel van uitkeringen opgezet.

Op deze terreinen worden Nederland en andere Europese landen regelmatig geconfronteerd met vergaande uitspraken van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, terwijl onze voorgangers in de Tweede Kamer dat in redelijkheid niet konden voorzien toen zij instemden met het verdrag.

Dat het Hof zoveel ruimte voor zichzelf heeft gezocht is misschien logisch vanuit het eigen perspectief, maar het valt Europese politici te verwijten dat ze te lang werkloos hebben toegezien hoe op deze manier de klassieke scheiding der machten, de trias politica, geweld werd aangedaan. Cruciaal is immers dat niet benoemde rechters, maar democratisch gekozen politici inhoud en reikwijdte van wetten en verdragen bepalen.

Bijna zestig jaar later is het resultaat dat de rechters in Straatsburg al te vaak 'politici in toga' zijn geworden. Zo werd in de zaak van Koua Poirrez tegen Frankrijk beslist dat een burger die nooit had bijgedragen aan sociale zekerheid en niet de Franse nationaliteit had, toch recht kreeg op een uitkering. Daardoor zijn ook de sociale rechten binnen de werking van het EVRM komen te vallen, wat nooit de bedoeling is geweest.

De uitspraak van het Hof in de zaak MSS/Griekenland en België heeft ervoor gezorgd dat het Europese asielbeleid (Dublinsysteem) op de schop moet. Dit systeem, dat inhoudt dat een asielaanvraag wordt behandeld in het eerste EU-land waar een asielzoeker arriveert, is nog maar een paar jaar geleden en op goede gronden door de lidstaten van de EU bekrachtigd.

Beide uitspraken grijpen direct in in de democratisch tot stand gekomen wetgeving van alle Europese landen. En dat zonder dat het veroordeelde beleid met goed fatsoen bestempeld kon worden als strijdig met klassieke mensenrechten die zijn vastgelegd in het EVRM. Andere Europese landen hebben vergelijkbare problemen. Spanje en het Verenigd Koninkrijk hebben bijvoorbeeld grote moeite met door het Hof geïntroduceerde milieuregelgeving op basis van het EVRM (Hatton vs. UK en Lopez Ostra vs. Spain).

Het ontbreken van een democratisch gelegitimeerde grondslag voor de ruime interpretatie van het EVRM door het Hof is niet alleen principieel onjuist, maar leidt ook tot onvrede. Ook onder rechters en wetenschappers zowel vanuit conservatieve als progressieve hoek, klinken steeds meer kritische geluiden. Niet alleen uit eigen land (Zwart, Baudet), maar ook van eminente rechters als de Engelse Lord Hoffmann en de voorzitter van het Belgisch Grondwettelijk Hof, Marc Bossuyt.

Door zich steeds meer te mengen in democratisch gelegitimeerde politieke besluiten van de lidstaten, dreigt het Hof zijn geloofwaardigheid en draagvlak te verliezen. Dat zou slecht zijn, want het oorspronkelijke doel van het EVRM en het Hof is onverminderd belangrijk.

Om deze ontwikkeling te keren, moet het Comité van Ministers, dat de deelnemende lidstaten vertegenwoordigt, een veel meer sturende rol gaan vervullen. Dit Comité vertegenwoordigt immers de wetgevers in de aangesloten landen. Het moet zich dus niet bemoeien met individuele rechterlijke uitspraken, maar wel kaders stellen voor de interpretatie van het EVRM.

Deze maand is er een nieuwe ministeriële conferentie in Izmir, Turkije, waar onder meer de werkwijze van het Hof op de agenda staat. Wat de VVD betreft een uitgelezen mogelijkheid om voor duidelijke kaders te pleiten. Daarbij zijn in ieder geval twee mogelijkheden denkbaar:

Wijziging van het EVRM, waardoor de margin of appreciation, dat wil zeggen de ruimte waarbinnen de staten vrij zijn om hun beleid naar eigen inzicht vorm te geven, aanzienlijk wordt verruimd.

Het Comité van Ministers gaat de reikwijdte van het EVRM bepalen door middel van resoluties. Als lidstaten moeite hebben met de uitleg van een verdragsbepaling kan het Comité de interpretatiemarges krapper stellen, hetzij voor iedereen, hetzij voor bepaalde lidstaten.

We leven in een snel veranderende wereld. Europa staat aan het begin van de 21ste eeuw voor belangrijke uitdagingen: er is sprake van een enorm toegenomen migratie en verzorgingsstaten dreigen onder hun eigen gewicht te bezwijken.

Het kan niet zo zijn dat de bevolking van nu en de door haar gekozen politici onherroepelijk gebonden zijn door een verdrag dat verre voorgangers hebben goedgekeurd. Er is immers ook vrijwel geen nationale wetgeving die 60 jaar ongewijzigd is gebleven. Wetgeving en dus ook verdragen moeten aan de tijd aangepast kunnen worden.

De VVD roept daarom het kabinet op om binnen Europa bondgenoten te zoeken en samen het Comité van Ministers wakker te schudden. Zij moeten het EVRM het derde millennium intrekken en het Hof aan banden leggen, zodat het Hof zelf, maar meer nog het EVRM zijn draagvlak in Europa blijft behouden.

Stef Blok en Klaas Dijkhoff zijn voorzitter en lid van de VVD-fractie in de Tweede Kamer. Europees Hof maakt inbreuk op scheiding der machten.