Kop op!

We zeuren en tobben en kunnen niets meer zonder gelukspilletje en persoonlijke coach. Of valt het mee?

Huilende politieagenten - het was niet eerder vertoond, of in elk geval nog niet eerder zo zichtbaar geweest. Het gebeurde in een rechtszaal in Amsterdam, juli 2005, onder toeziend oog van pers en publiek. 'Ontredderd' vielen zes agenten elkaar om de hals, schreven de journalisten, 'troostend aaiden ze elkaar over de bol'.

Het was in de zaak tegen de moordenaar van Theo van Gogh, die de agenten had beschoten. De tranen kwamen toen Mohammed B. kalm vertelde waarom: 'Ik schoot om te doden en gedood te worden'. Sinds de schietpartij, vertelden de agenten, werden ze achtervolgd door slapeloosheid, angsten, huilbuien en vergeetachtigheid. 'Mijn leven trok in een flits voorbij', zei een van hen. 'Mijn 24 jaar geleden overleden vader verscheen weer aan me.'

Onmiddellijk ontspon zich een discussie. Mogen politieagenten wel huilen?

De voorzitter van de ene politievakbond, Hans van Duijn, zei: 'Het komt niet overeen met de algemene ervaring van dienders die onder vuur hebben gelegen.'

De voorzitter van de andere politievakbond, Gerrit van de Kamp, zei: 'Voor buitenstaanders is het onthutsend. Maar zo wordt duidelijk dat zij ook mensen van vlees en bloed zijn.'

Waar het eigenlijk om ging, was: zijn we te soft geworden? Is de maatschappij zo veranderd dat zelfs gezagsdragers, mannen en vrouwen van staal, hun gevoelens tonen?

Vroeger waren we harder, was de onderliggende idee. Toen stelden we ons niet zo aan. Is dat zo?

'Vroeger spraken we er niet over', zegt Arthur van der Vlies, 'vroeger moesten we de last dragen.' Hij was 21 jaar politieagent en 'maakte alles mee wat je kunt meemaken' totdat het hem te veel werd en hij bijna ten onder ging aan een posttraumatische stress-stoornis. Nu adviseert hij collega's over omgaan met emoties; zijn bedrijf heet Reflectie in Blauw.

Hij zegt: 'Wij zijn mensen, geen robocops. Wij zien kinderen sterven, we zitten met onze handen in schotwonden. Daar werden we altijd door geraakt, maar tegenwoordig komt het meer naar buiten. Daardoor krijg je beeldvorming.'

De agent is wel veranderd, merkt hij, maar dat heeft niets met soft of hard te maken. 'Vroeger kreeg je een gebakje bij het zien van je eerste dode. We stonden op en gingen door. Nu laten we onderling onze emoties zien. Dat is juist een teken van veerkracht. Laat het maar even gebeuren, dat je verdrietig bent. Agenten zijn nog even sterk. Door uit te komen voor onze emoties, zijn we zelfs sterker geworden.'

Zwijgen
Als het gaat over opstaan en weer doorgaan, niet zeuren en handen uit de mouwen en sterk zijn tegen alles in, dan kom je vanzelf uit bij de wederopbouwjaren na de Tweede Wereldoorlog.

Jan Brokken deed jarenlang onderzoek naar een oorlogsdrama in het dorp waar hij opgroeide, Rhoon, onder Rotterdam, en schreef daarover het prachtige boek De Vergelding. Het gaat over een Duitse officier die in 1944 omkwam door sabotage, en de executie van zeven mannen die erop volgde. Huizen werden in brand gestoken, families verdreven. Maar ondanks alles bleef het lang een verborgen geschiedenis. Er was vrijwel niemand die erover wilde praten en dat is op een paar uitzonderingen na nog steeds zo, zegt hij: 'Het is zwijgen, zwijgen, zwijgen' - met alle gevolgen en trauma's van dien.

Natuurlijk, 'er was een flinke verwoesting in die tijd. De polders stonden onder water, de infrastructuur was kapot. Dus er was werk aan de winkel; het gevoel zal zijn geweest: niet napraten, de schouders eronder.' Maar desondanks kan Brokken niet alleen daaruit verklaren dat er zo lang gezwegen is over een 'heel zwaar hoofdstuk' in de geschiedenis van het dorp, die ging over verzet, verraad, dood en moffenmeiden. 'Het is toch vooral de grote, grote schaamte geweest.'

Zouden we daar nu anders mee omgaan dan toen?

Jan Brokken denkt van niet. Ondanks de openheid die er is gekomen in de moderne emotiemaatschappij, waar elke avond tranen vloeien op televisie en beroemdheden vertellen over het stranden van hun huwelijk, hebben ook de kinderen en de kleinkinderen van de slachtoffers in Rhoon nog steeds moeite met het drama. De oorlog is, merkt hij, niet voorbij. Veel verhalen zijn nog niet verteld.

'Mensen waren bang dat ze iets werd nagedragen. Het was niet zwart-wit in de oorlog, ook in het verzet zijn vreselijke dingen gebeurd; mensen hadden angst dat ze iets verkeerd hadden gedaan. Die angst - dat is toch wel iets heel anders dan het verwerken van een scheiding.'

Softheid
Ook iets waaraan de softheid van de samenleving wordt afgemeten: de opkomst van het fenomeen coach. Een professional die je kan helpen in je persoonlijke en werkzame leven - de afgelopen jaren is hun aantal gegroeid naar ongeveer veertigduizend, al weet niemand precies hoeveel het er zijn. Elke dag komen er coaches bij. Nog even en de ene helft van Nederland coacht de andere.

Het is niet moeilijk er een te vinden: je kunt bijvoorbeeld terecht op coaching.nl, waar ze zich aanbieden met een vrolijke foto en een 'oneliner' erbij. 'Leven en werken vanuit bezieling, vitaliteit en authenticiteit.' Of: 'Jij helpt jezelf, ik help jou om jezelf te ontdekken.' Of: 'Laat jou tot de kern van de vraag komen, met gevoel en doelgericht.'

Waar is dat begonnen?

De beroepsorganisatie van Nederlandse coaches, de NOBCO, bestaat tien jaar en Ruud Polet is hun voorzitter. Bij de oprichting, vertelt hij, waren ze met dertig pioniers, nu maken ze zich op voor een groot landelijk congres in oktober. Vroeger, zegt hij, vertelde je liever niet dat je een coach had - dat was een teken van zwakte. Tegenwoordig is het in sommige gevallen zelfs een statussymbool.

Dat komt vooral omdat het leven complexer is geworden, denkt Polet. 'Vroeger waren de dingen eenvoudiger, gemakkelijker, soepeler. Nu is het echt 24/7: iedereen moet er altijd en overal zijn. In je persoonlijke leven en op het werk, op Twitter en op Facebook.' Een coach helpt mensen om in de spiegel te kijken, zegt Polet, het is een manier om de waan van de dag te verslaan. Een goede kost tussen de 50 en 300 euro per uur. 'Dat is geen geld, maar is een investering in jezelf, zo moet je er naar kijken.'

Coaches
Niet alleen in de softe sector, maar ook in de harde wordt gecoacht. Gerrit Zalm was de eerste minister waarvan bekend werd dat hij een coach had. Bij topmannen in het bedrijfsleven is het al langer gebruikelijk. Zelf werkte Ruud Polet bij ING, waar hij als hoofd van de corporate university het coachen introduceerde. 'Ik heb er zelf ook een gehad. Die heeft me nieuwe perspectieven en inzichten aangereikt.'

Maar heb je daar geen vrienden voor?

'Het leuke van een vriend is dat je hem kent. Het nadeel is zijn subjectiviteit. Een gecertificeerde, geaccrediteerde coach houdt je echt een spiegel voor. Vroeger riepen we er een psycholoog of een psychiater bij als het al te laat was, nu doen we dat veel eerder met een coach. Dat werkt preventief.'

Onderwijl zoeken meer mensen dan ooit hulp voor psychische klachten. 1.100.000 Nederlanders gebruiken een antidepressivum, blijkt uit cijfers van de Stichting Farmaceutische Kengetallen. De grafiek die in hun laatste jaarverslag staat heeft maar één richting: omhoog, vooral bij jongeren (tot 20) en ouderen (vanaf 65). Vooral de moderne middelen doen het goed. Die worden vaak door huisartsen voorgeschreven, terwijl pillen vroeger het terrein waren van gespecialiseerde psychiaters.

Prozac was de eerste pil die de depressie democratiseerde. Het middel werd populair in de jaren negentig en kreeg al snel de bijnaam 'gelukspilletje', ook doordat journaliste Emma Brunt er enthousiast over schreef. Uit de eerste van haar serie columns over de 'positivo-drug' in Het Parool: 'Sinds een week slik ik het ook, dit wondermiddel. En ik moet zeggen dat ik versteld sta van het spontane en zonnige effect'. Een week later: 'Als ik afga op de verhalen uit mijn kennissenkring houdt half Amsterdam zich inmiddels staande met behulp van Prozac.' Twee weken later: 'Er een zekere zorgeloosheid over me gekomen die ik als bevrijdend ervaar.'

Dat was 1994. 1,1 miljoen mensen proberen nu hetzelfde voor elkaar te krijgen. Dat is geen hippe modetrend meer: juist buiten de Randstad worden de meeste antidepressiva gebruikt, blijkt uit een onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek dat dit jaar verscheen.

Is dat een teken van zwakte, of juist van het tegenovergestelde?

Elsa Stam is psychiater. Ze zegt: 'De samenleving is complexer geworden, dat is waar, maar tegelijk hebben mensen het idee dat alles maakbaar is, dat er altijd wat aan te doen is. Dus vragen ze om medicijnen, en krijgen die vaak ook.'

Ze verbaast zich over het gemak waarmee huisartsen soms pillen voorschrijven aan mensen in onbalans. Dat zijn meestal moderne SSRI's, die ook wel 'anti-piekermiddel' of 'anti-somberheidsmiddel' worden genoemd. Op dit moment is de stof agomelatine aan een opmars bezig; die heeft zich nog niet klinisch bewezen en is duur, maar wordt door farmaceuten hard in de markt gezet.

Medicijnen kunnen goed werken bij de klassieke stoornissen als depressie, sociale fobie, psychose, zegt Stam. Daar hebben zieke mensen baat bij. 'Maar ik merk dat het ook wordt gezien als een wondermiddel voor degenen die zich niet lekker voelen, of het leven niet goed aankunnen.'

Zegt dat iets over deze tijd?

'Het is goed dat je tegenwoordig openlijk kunt praten over problemen, en hulp kunt zoeken. Maar er is ook een andere kant. Mensen worden afhankelijker van medicijnen, niet zelfstandiger. Het hele idee dat je als mens je lot draagt, is weg. Er zijn denk ik dingen die je moet accepteren, waar je mee moet leren omgaan. Niet alles is met een pil op te lossen. Dat is wel een verschil met vroeger.'

NOG BLIJ MET DE GELUKSPIL

In haar boek De Breinstorm (1994) schreef Emma Brunt over de voordelen van Prozac. Bijna twintig jaar later is ze nog positief: 'Het gaat met mij ontegenzeggelijk beter als ik prozac slik', zei ze vorig jaar in Opzij.