Kijken in de afgrond; RÜDIGER SAFRANSKI TAST NAAR DE WORTELS VAN HET KWAAD

OF HET KOMT doordat hij in het bevrijdingsjaar 1945 werd geboren, laat zich niet achterhalen, maar dat de Duitse cultuurfilosoof en schrijver Rüdiger Safranski een zekere belangstelling heeft voor de nachtzijde van de menselijke natuur en geschiedenis staat vast....

Vorig jaar kwam daar een boek over het kwaad zelf bij, dat nu in een Nederlandse vertaling is verschenen onder de titel Het kwaad - Het drama van de vrijheid. Daarin trekt Safranski grote lijnen door de geschiedenis van het denken over het kwaad. Hij reconstrueert de reacties op het kwaad, van de vroegste religieuze mythen die probeerden aan te geven hoe het kwaad in de wereld was gekomen tot de filosofische, psychoanalytische en sociaal-wetenschappelijke pogingen in onze tijd om het te verklaren.Die hele onderneming is bedoeld om greep te krijgen op het kwaad. Niet door ervoor een nieuwe, eigen verklaring te presenteren, maar door te achterhalen wat grote denkers en schrijvers hebben ondernomen om het kwaad begrijpelijk te maken. Zijn wij de inzet van een strijd tussen een god en een duivel? Moeten we ons neerleggen bij het kwaad, omdat het nu eenmaal deel uitmaakt van de menselijke natuur? Hebben wij het ongelukkigerwijs zelf bedacht of is het de samenleving, zijn het de omstandigheden waaronder wij leven, die het kwaad teweegbrengen? Of is het nog eenvoudiger en ontstaat het kwaad slechts daar waar wij niet goed ons best doen?Het bijzondere van Safranski's werk is - of hij het nu over een ondoorgrondelijk denker als Heidegger heeft of over de abstracties van een religieus-ethisch begrip - dat hij al zijn onderwerpen met een haast frivole onbevangenheid benadert, en er vervolgens helder en onderhoudend over weet te schrijven. Maar achter die schijnbare eenvoud en losheid van toon gaan een indrukwekkende belezenheid en een grote filosofische strengheid schuil, die hem tot een betrouwbaar auteur maken. Zijn drijfveer ligt in een gepassioneerde belangstelling, ook al presenteert hij zijn inzichten met esprit, met een zekere losheid.- Meneer Safranski, u schreef voorheen biografieën, van Hoffmann, van Schopenhauer en zelfs van Heidegger. Dat waren boeken die de filosofie benaderden vanuit een levensgeschiedenis. In de context van de Duitse filosofie was dat voor ons een hele opluchting, want zo concreet en alledaags ziet men die doorgaans niet haar onderwerpen benaderen. Waarom dan nu toch zoveel aandacht voor een begrip?'Als ik de reeks figuren bekijk over wie ik al eens heb geschreven, zie ik een verband. Alledrie hebben ze namelijk geprobeerd, zij het op verschillende manieren, in de afgrond te kijken, zich vertrouwd te maken met het afgrondelijke. Dat maakt de poëzie sterk en de filosofie spannend. Daarom vond ik het voor mijzelf en mijn werk van belang de Bühne nu eens om te draaien en datgene naar de voorgrond te halen wat mij in die figuren had gefascineerd. Je moet je dan afvragen wat die afgrond precies is. Alledrie hadden ze namelijk ook een intieme verstandhouding met de dimensie van de menselijke vrijheid. En als die vrijheid echt is, dan leidt die je ook de donkere zones van het denken in - de gebieden waar het niets heerst of het bedrieglijk imaginaire. Het gebied waar alleen nog maar 'nee' wordt gezegd.'Hoffmann, Schopenhauer en Heidegger hebben alledrie de menselijke vrijheid bijzonder serieus genomen. En dus hadden ze belangstelling voor de duistere kanten daarvan. Daarom was het mensbeeld dat ze ontwierpen, ook niet zo ongevaarlijk als dat wat zij van de Verlichting hadden geërfd - de platte Verlichting, bedoel ik: er is ook een sceptische.'Anderzijds was er voor mij ook een direct aanknopingspunt. In 1992 heb ik voor de kerstbijlage van de Frankfurter Allgemeine Zeitung een essay geschreven over de terugkeer van het kwaad, vlak nadat de oorlog op de Balkan was begonnen. Het was de tijd van na de val van de Muur, van na de ineenstorting van het Oostblok. Die korte tijdsspanne waarin we even dachten dat we de geschiedenis in onze macht hadden.'- Het einde van de geschiedenis, de triomf van de liberale rationaliteit?'Precies. De illusie dat we het patroon van de geschiedenis nu wel doorhadden. En een moment later blijkt dat er een haast autonoom proces aan de gang is: die oorlog op de Balkan, de gruwelijkheid daarvan. Die had niemand voorzien. Toen de ijskap was gesmolten, kwam er een maatschappij te voorschijn die de indruk wekte dat de geschiedenis weer terugkeerde naar een vorige toestand - los van alles wat sindsdien was gebeurd.'We waren getuige van een ontmoedigend en bloedig proces, waarbij uit de chaos van geweld langzaam weer een staat moest worden opgebouwd en er misschien weer een samenleving mogelijk werd. Met andere woorden, we werden geconfronteerd met een heel oude ervaring: beschavingen moeten worden gemáákt. We hebben ze nodig tegenover onze eigen, riskante natuur. Wanneer bepaalde beschavingen of samenlevingen ineenstorten, kan dat de afgrond van het niet-gereglementeerde in ons openen.'Op dat moment werd mij duidelijk dat je voor een beschaving iets moet doen. Beschavingen zijn niet onze tweede natuur. Ze spreken niet vanzelf.'- Dat is een opmerkelijk augustiniaans standpunt: men moet, om het kwaad te lijf te gaan, orde scheppen, instituties maken. Ook in uw boek krijgt Augustinus opmerkelijk veel aandacht. Bent u een Augustijn, geheel in de Duitse, lutherse traditie?'Wat ik altijd in de figuur van Augustinus heb herkend, is die ongemeen grote ambivalentie. Hij wordt altijd afgeschilderd als iemand die op vijandige voet ging verkeren met het leven en daarom God heeft gezocht, een wellusteling die tot inkeer kwam en daarom overging tot zelfkastijding. Maar dat is allemaal onzin. God was voor hem de naam van een nog veel grotere lust dan alle lusten die hij daarvoor had gekend. Dat is de lust van de mogelijkheid de ziel te laten uitstijgen boven het alledaagse.'Dat is het virtuose aan hem. Dat is ook de drijvende kracht van zijn proza, dat telkens alle grenzen tracht te overschrijden.'Maar het probleem is dat je niet de hele tijd de ziel op deze buitenkansjes kunt trakteren. Hoe maak je het mogelijk met zoiets rijks, zoiets beweeglijks als onze ziel toch een ordentelijke, duurzame samenleving te onderhouden? Augustinus heeft een dynamisch beeld van de mens, en juist daardoor komt hij ertoe een pleidooi te houden voor instituties. Hij wil duurzaamheid geven aan onze oneindige rijkdom aan mogelijkheden. Daar vindt hij de kerk uit, als een soort grondwet voor onze spirituele mogelijkheden. Om ze te verstrekken als we ons onder minder gelukkige omstandigheden vleugellam voelen, om ons te helpen als de oneindige ruimte ons te groot wordt.'- Maar daarmee laat hij die magnifieke ervaringen meteen stollen.'Dat is precies het probleem. We hebben de instituties nodig om ons te helpen, maar ook om ons te beschermen. Maar de instituties fossiliseren onze belangrijkse ervaringen, onze ervaringen van vrijheid. Ze begraven juist datgene waaruit ze zelf zijn voortgekomen, ze verpletteren dat onder hun eigen gewicht.'Alles vastleggen leidt tot een dramatische onderschatting van de menselijke mogelijkheden. We zijn wezens met heel veel mogelijkheden, met heel veel vensters. Daarbij hoort ook het kwaad en dus de verantwoordelijkheid bepaalde vensters te sluiten.'Augustinus heeft dat scherp ingezien, maar de geschiedenis van de kerk werd er vervolgens een waarin dat inzicht werd gebanaliseerd en allerlei vensters werden gesloten, mogelijkheden ongedaan gemaakt, rijkdom opgeheven.'- Soms is het alsof u Augustinus gebruikt als een soort anti-Fukuyama. Om met zijn werk in handen dat beeld van een voltooide, statische geschiedenis, dat Fukuyama propageerde, te lijf te gaan.''Dat is de meest elementaire betekenis van de filosofie. Filosofie nodigt uit tot zelfreflectie, tot het maken van openingen. Met Augustinus kon ik het spoor van mijn eigen gedachten volgen. Daardoor kwam ik in Het kwaad ook uit bij het Duitse idealisme, bij Schelling. Die begint een belangrijk opstel met de zin: 'Het ik is iets dat niet zonder kwalijke gevolgen tot ding gemaakt kan worden.''Het ik, het jezelf tot een ding maken, door bijvoorbeeld jezelf louter als onderdeel van de natuur te gaan zien, is iets dat wij kunnen en soms ook moeten doen, maar waarmee we ook voorzichtig moeten omgaan om te voorkomen dat we onszelf gaan zien als een stuk steen. Om dat te vermijden heb je de zelfreflectie, de filosofie nodig.'Het gaat erom dat we meer mogelijkheden hebben, dat we geen wezens zijn die aan het noodlot zijn overgeleverd. We kunnen afstand tot onszelf nemen, we kunnen in verschillende registers werken. Er is zo'n mooie uitspraak van Novalis, die zegt dat we een mogelijkheid hebben onszelf te revitaliseren. De filosofie, het vermogen na te denken is voor hem een levenverwekkende kracht.'En dat is weer precies wat Augustinus bedoelt: het gaat me niet om de Dom die Augustinus bouwt, maar om zijn vermogen dat te doen, zijn talent om de verstolling, de domheid te bestrijden. Die domheid zit bij uitstek in het optimisme over de vermijdbaarheid van het kwaad. De vooruitgang zal het wel rooien en dan zijn we ervan verlost.'- Figuren als Hoffmann, Schopenhauer en Heidegger hebben geprobeerd die domheid te bestrijden. Maar ze hebben ook genoten van het kwaad.'Dat is het duidelijkst bij Baudelaire, in zijn Bloemen van het kwaad. In de negentiende eeuw ontstaat bij sommige dichters en denkers een soort onrust over dat al te gevaarloze, al te optimistische beeld van de mens. De vooruitgangsgedachte vierde triomfen, de gedachte dat de geschiedenis eigenlijk een soort trein was die zonder al te veel haperingen op zijn doel afstevende. Die gedachte was bovendien verbonden met de opvatting dat we allemaal heel vlijtig moesten werken in die grote fabriek die de geschiedenis voortbrengt.'Dat riep protest op. Want als wij zo in de wereld stonden, dan werd alles wat wij deden ondergeschikt gemaakt aan een zeker nuttigheidsdenken. Dat wekte Baudelaire's nieuwsgierigheid naar het andere, naar de afgrond van alles wat geen nut had. Het gaat dan niet alleen om het kwaad in morele zin, maar ook om het kwaad als zinloosheid. Er ontstaat een tegenbeweging die de schaduwkanten opzoekt, juist omdat ze het licht verdacht begint te vinden.'- Waarmee het kwaad een zuiver esthetische aangelegenheid wordt.'Men probeerde ons wakker te schudden, juist door middel van de poëzie. Maar daar blijft het niet bij. Rimbaud radicaliseerde Baudelaire's opvattingen. Die ging experimenteren met het kwaad, ook in sociaal opzicht; hij werd slavenhandelaar in Aden.waar het om gaat is het protest tegen dat eendimensionale mensbeeld, tegen het nuttigheidsdenken. Alle belangstelling voor het kwaad in die tijd komt daaruit voort.'- Maar is dat niet wat naïef? Los van alle esthetiek en functionaliteit voor het protest tegen de burgerlijke samenleving bestaat er toch gewoon tastbaar kwaad?'De negentiende eeuw ziet het kwaad voortkomen uit dat nuttigheidsdenken van de burgerlijke samenleving zelf. Schopenhauer analyseert het, de dichters becommentariëren het en het eigenaardige is dat de gruwelen van de twintigste eeuw hen daarin hebben bevestigd. Het afschuwelijke aan de nazi-misdaden zat nu juist in die mengeling van een atavistische ideologie met een benadering die op zichzelf volkomen rationeel en functionalistisch was, economisch en op effectiviteit gericht. Iemand als Eichmann verzette zich tegen de pogroms in Hongarije, niet omdat hij tegen die pogroms was, maar omdat ze zijn statistieken in de war stuurden. Hij wilde zijn streefgetallen halen.'Max Weber heeft dat in het begin van deze eeuw met een zeer vooruitziende blik al geschreven. De rationalisering van zijn tijd, het economische en nuttigheidsdenken, had wat hem betreft niets meer te maken met het verstand, met de rede. Het was een op zichzelf staand doel geworden.'- Blijft de vraag of je je dan kunt beperken tot een in wezen esthetische verontwaardiging. Bataille, bijvoorbeeld, heeft zich in zijn beschouwingen over het kwaad juist daarop toegelegd - en iedere morele dimensie laten verdwijnen.'Het grote probleem van Bataille is dat de uitsluiting van die morele kanten explosief materiaal veronachtzaamt. Als ik zijn geschriften uit de jaren dertig lees en zie hoe hij zich verlustigt in bijvoorbeeld De Sade, denk ik vaak: mijn God. Dat is toch wel heel romantisch hoe hij zich overgeeft aan allerlei dagdromen met een sadistische inslag. Hij zou eens een dag naar onze televisieprogramma's moeten kijken of een keertje naar de videotheek moeten gaan en wat films lenen met van die scènes met kettingzagen erin.'Want zijn dromen over het kwaad zijn in hoge mate gerealiseerd, en zelfs op het allertriviaalste niveau. Het koketteren met het kwaad is alledaagse werkelijkheid geworden. Het idee van geweld en bloedige extase is doorgedrongen tot in de massacultuur - en daarom kunnen we vandaag niks meer beginnen met Bataille's fantasieën.'- De bloemen van het kwaad zijn eenvoudig weg het bloed van het kwaad geworden.'Ja, en dat komt doordat al die negentiende-eeuwse denkers zich niets konden voorstellen bij massacultuur en alle technische mogelijkheden die ons ter beschikking staan.'- Maar het wonderlijke is dat er in one tijd niets voor in de plaats is gekomen. Er is geen filosofie van het kwaad voorhanden. Het is er gewoon, en wij dienen er een antwoord op te vinden.'Ja, en dat antwoord zou steeds vaker 'nee' moeten zijn. Maar het cultuurrelativisme heeft een modieus soort liberalisme opgeleverd, dat vooral lafheid is. Wat is een theorie van het kwaad? Meestal een poging het kwaad weg te verklaren. We zien iets en proberen te achterhalen wat daarachter steekt - de samenleving, de kansen, de duivel desnoods, of men dist een naturalistische verklaring op waarbij het kwaad iets instinctmatigs wordt.'Men probeert altijd een genealogie van het kwaad te ontwerpen, waarin het kwaad zelf verdwijnt. Het wordt iets anders. Maar daarmee ben je er niet. Want als we het op die manier hebben geprobeerd te ontkennen, blijft het zich voordoen en moeten we ermee omgaan. Hoe kunnen we het vermijden - en opnieuw draait dan de Bühne om. Dan moet je vormen zoeken, niet om te verklaren, maar om te beheersen. Misschien zijn alle beschavingen pogingen met onze riskante dimensies te leven.'De beslissing de zaak om te draaien heeft ook politieke consequenties. Over wat goed is zullen we het wel nooit eens worden en de pogingen dat vast te leggen, hebben tot allerlei catastrofen geleid. Maar wat kwaad is, kunnen we aanwijzen. Laten we ons dus maar concentreren op het vermijden van het evident kwade.'Bij de verkiezingen in Saksen Anhalt, onlangs, stemde 13 procent van de kiezers rechtsradicaal. Men benadert dat fenomeen verkeerd als men zegt dat dat uit protest is of dat het hier nu eenmaal om een diepgewortelde Duitse traditie gaat. Want wat er werkelijk aan de hand is, is een opleving van het nihilisme. En dat komt doordat er een samenleving, met haar eigen beschermingstechnieken en reproductiemechanisme, is vernietigd zonder dat er iets anders voor in de plaats is getreden.'In die zin kun je Duitsland na de samenvoeging beschouwen als een pilot-project. De sterken hebben het gered. Die zijn opgegaan in de samenleving van het voormalige West-Duitsland. Maar de zwakkeren hebben niets meer. En dat terwijl ze juist altijd zo gefixeerd waren op de staat. Die is nu verdwenen en de nieuwe staat houdt veel grotere afstand. Die durft niets meer. Als er onlusten zijn, komt de politie liever niet en gruwelijke misdaden worden verhoudingsgewijs matig bestraft, en dan nog alleen maar met een geldboete.'Dat zijn ze niet gewend. Wij kunnen er ons geen voorstelling van maken in welke gruwelijke leegte, welke horror vacui, deze mensen terecht zijn gekomen. Geen familieverbanden meer, geen staat die hun leven ordent. In die leegte is in één keer de videocultuur van het westen terechtgekomen, met alle beelden van gewelddadigheid die daarbij horen.'Daarop hebben zij geen antwoord. Het enige antwoord dat wij zouden moeten geven, is dat van instituties, van opvoeding. Want een beschaving moet je verdienen.'Michaël ZeemanRüdiger Safranski: Het kwaad - Het drama van de vrijheid.Vertaald uit het Duits door Mark Wildschut.Atlas; 304 pagina's; * 59,90.ISBN 90 254 2088 5.De recensie van Das Böse verscheen in Cicero van 24 december 1997.