In Karinthië zit de taalgrens tussen de oren

In het zuiden van Karinthië, waar Oostenrijk aan Slovenië grenst, moet een buitenstaander op zijn woorden letten. Dit gebied kent een bewogen geschiedenis....

EISENKAPPEL - ZELEZNA KAPLA Het bergdorp Eisenkappel jankt, kreunt en zucht. De storm die over het zuiden van Karinthië raast, blaast bomen en elektriciteitspalen omver. Om zeven uur 's avonds valt de stroom uit, tot de volgende ochtend zes uur. Straten, huizen, cafés, alles is plotseling donker.Drinkgelagen en diners worden afgebroken, de lokalen stromen leeg. Binnen een kwartier is het dorp uitgestorven. Half acht en Eisenkappel slaapt. Om herhaaldelijk opgeschrikt te worden door gillende brandweerwagens die door de straten jagen.De stormschade - 'bij ons ácht bomen' - is de volgende ochtend tegen acht uur het onderwerp van fluisterend gesprek bij het binnengaan van het nabijgelegen witte kerkje. De klok heeft zijn werk gedaan, nu de pastoor nog. De bolle man met woeste haardos en Brezjnev-wenkbrauwen, prevelt een gebed, in het Sloveens. Om het daarna in het Duits te herhalen. Schriftlezing, preek, liederen, alle klinken in twee talen.Aan het slot van de mis wordt duidelijk waarom de kerk zo afgeladen is. De pastoor is jarig. Een meisje loopt naar voren en geeft hem een boeketje. Als een verlegen bruid hoort de pastoor, de bloemen met beide handen op zijn buik geklemd, felicitaties en feestliederen aan.Tien minuten na afloop van de mis loopt de woeste haardos in een sportief zwart tenue de belendende gemeenschapsruimte in. Lange tafels vol uitgelaten gelovigen juichen hem toe. Glazen worden gevuld met rode wijn, borden met de lokale, zure Rosenbachsoep.Een vrouw steekt voor de neus van de pastoor de zestig kaarsjes op een reusachtige chocoladetaart aan. De pastoor oogt onbewogen, maar zit stiekem te genieten. Een besnorde man zet in met een Sloveens verjaardagslied, en nog een en nog een. Dan klinkt een dwingende vrouwenstem: 'Schöne Geburtstag liebe Pfarrer. . .'. Iedereen volgt.Eisenkappel is een van de tientallen tweetalige dorpen in het Zuiden van Karinthië, langs de grens met Slovenië. Al in de zesde eeuw streken in dit gebied Slovenen neer. De Duitstaligen volgden een kleine duizend jaar later, vanuit Beieren. Eeuwenlang behoorden beide groepen tot het uitgestrekte Habsburgse rijk en was er niet zo gek veel loos. Dat veranderde met het einde van de Eerste Wereldoorlog en het uiteenvallen van Oostenrijk-Hongarije. Als oorlogen voorbij zijn worden nieuwe grenzen getrokken.Hoorde het overwegend door Slovenen bewoonde Zuiden van Karinthië bij Oostenrijk of bij de nieuwe monarchie van Serviërs, Kroaten en Slovenen? De bevolking mocht zelf het antwoord geven en koos in 1920 per referendum voor Oostenrijk. De Zuid-Karinthiërs waren ineens grensbewoners, vijftien kilometer verder begon de andere wereld, Slovenië.Dat een meerderheid van de Slovenen Oostenrijker wilde worden, was ingegeven door de betere economische perspectieven en de beloften die de regering had gedaan voor gelijke rechten en behoud van de culturele identiteit.Het referendum werkte ondanks de uitkomst als een splijtzwam. Tot 1920 was de etnische achtergrond amper een thema. De merendeels ongeletterde boerenbevolking was een eenheid in armoede, geloof en liefde; er werd samen gewerkt, getrouwd en het rooms-katholieke geloof beleden.Met het referendum had iedereen zich uitgesproken. Hoewel een minderheid, hadden toch veel Slovenen voor aansluiting bij 'de overkant' gestemd. Zij werden gewantrouwd door Duitstalige bewoners en de politiek. Wie niet voor is, is tegen, was de redenering. De belofte over behoud van de identiteit werd niet ingewilligd. Iedereen moest Duits spreken.De gedwongen 'germanisering' van de Slovenen in Karinthië werd in de nazi-tijd met dwang en onderdrukking voortgezet. Tweehonderd Sloveense families - ongeveer duizend mensen - werden opgepakt en weggevoerd naar concentratiekampen in Duitsland. Onder hen de kleine Sloveense intelligentsia, vooral pastoors, en zelfbewuste boeren die in 1920 niet voor Oostenrijk hadden gestemd. Hun land werd hen afgenomen.Ook uit Eisenkappel werden Slovenen weggevoerd. Duitstalige jongeren werden opgeroepen voor de Wehrmacht. Een groep Sloveense jongens uit Eisenkappel sloot zich aan bij de partizanen. De bevolking werd uiteengereten. 'Dan kwam ik met verlof thuis en moest ik allerlei omwegen maken om 's nachts mijn ouderlijk huis binnen te sluipen', vere*lt de 79-jarige gepensioneerde vrachtwagenchauffeur uit Eisenkappel. 'De bergen rondom het dorp waren deels in handen van oude schoolvrienden die zich bij de partizanen hadden aangesloten.'Een van hen was de nu 73-jarige Peter Kuchar. Veertien jaar was hij, toen hij gewapend de bergen introk om tegen de nazi's te vechten. Boven zijn bureau in het verenigingskantoortje van de voormalige Sloveense partizanen hangt een portret van de pubersoldaat. Tito hangt er ook.'De Oostenrijkse fascisten wilden ons verdrijven, terwijl de Slovenen al 1400 jaar in dit gebied wonen', zegt Kuchar. 'Iedereen was arm, maar de Duitse kinderen kregen van de fascisten winterjassen. Wij moesten met weinig kleren kilometers door de sneeuw naar school. We werden als een minderwaardig volk behandeld.'Oostenrijk heeft na de oorlog volgens Kuchar zijn straatje schoongeveegd door naar de Sloveense partizanen te wijzen. 'Kijk, ook wij hebben ons tegen de nazi's verzet, werd gezegd. Dat doet nog steeds pijn. Als vrijheidsstrijder heb ik vandaag nog de plicht ervoor te vechten dat we allen in vrijheid leven', zegt Kuchar strijdbaar.'Extremist' noemen sommige dorpelingen hem. Het zijn degenen die het verleden het verleden willen laten, die niet meer willen spreken van Sloveense en Duitse Karinthiërs. Gottfried Besser, vijftiger en pensionhouder, behoort tot die groep.'Mensen als Kuchar zijn net zo erg als de SS', zegt hij. 'Ze zijn extreem nationalistisch en willen de anderen iets opleggen. Wie oorlog wil voeren heeft een vijand nodig, dus dan zoek je er een. Maar er is nu geen vijand meer. Mensen als Kuchar, die het verleden blijven oprakelen, voorkomen dat we rustig kunnen samenleven.'Net als iedereen in Eisenkappel spreekt Besser Duits én Sloveens. Op de vraag of hij Sloveense wortels heeft, reageert hij geïrriteerd. 'Mijn moeder sprak tot mijn twaalfde alleen Sloveens. Ben ik daarom een Sloveense Karinthiër? Ik weet het niet. Het doet er voor mij ook niet toe. We moeten af van dat onderscheid.'Eisenkappel telt 2100 zielen. We hebben een Sloveens- en een Duitstalig koor, een Sloveens- en een Duitstalige sportvereniging, een Sloveense en een Duitse bank. Wat een onzin is dat toch. Zo word je gedwongen je bij een groep in te delen.'De taalgrens zit in de hoofden van de mensen, zegt Brigitte Hipfl, hoogleraar communicatie aan de universiteit van Klagenfurt, 'hoofdstad' van Karinthië. Zij heeft met collega's onderzoek gedaan in Eisenkappel en een nabijgelegen dorp net over de grens met Slovenië. Het is onderdeel van een groot onderzoek in opdracht van de Europese Unie naar grensregio's.Zij bevestigt wat de Eisenkappelaars over zichzelf zeggen: de taal is het enige dat ons van elkaar onderscheidt. Hipfl: 'Iedereen in Eisenkappel heeft Sloveense en Duitse wortels en iedereen spreekt beide talen. Toch wordt er in de ene winkel alleen Sloveens en in de andere alleen Duits gesproken. Iedereen weet welke taal hij waar moet spreken. Dat is een vanzelfsprekendheid waar de mensen zich, als je ernaar vraagt, niet van bewust zijn.' Dat dorpen als Eisenkappel tweetalig onderwijs, tweetalige bewegwijzering en kerkdiensten hebben, komt door de geallieerden. In samenspraak met de geallieerden kwam in 1955 het Staatsverdrag tot stand, waarmee Oostenrijk weer een republiek werd. In dat verdrag werden minderheden gelijke rechten toebedeeld en het recht op het gebruik van hun taal.Zo ontstonden kort na 1955 tweetalige scholen. Klagenfurt kreeg een tweetalig gymnasium. En er ontstonden regionale kranten en een radiozender, Radio Dva. De niet-Sloveense bevolking zag het met lede ogen aan. Waarom dat onderscheid?De gevoelens van onbehagen kwamen in de jaren zeventig tot uitbarsting, toen een aantal Slovenen met verwijzing naar het Staatsverdrag tweetalige plaatsnaamborden eiste. Duits-nationalisten, die sterk vertegenwoordigd zijn in Karinthië, gingen 's nachts in autokolonnes erop uit en vernielden de borden. 'Plaatsnaamborden-beeldenstorm', zeggen de Slovenen nu nog.De discussie laaide ruim een jaar geleden weer op, toen een Sloveense Karinthiër zich tot de rechter wendde om bezwaar te maken tegen de weigering van de politiek om tweetalige plaatsnaamborden toe te staan. Uiteindelijk bepaalde de hoogste rechter van Oostenrijk, Adamovich, dat het Verdrag moest worden uitgevoerd en tweetalige gemeenten in het Duits en Sloveens moesten worden aangeduid. Dat zou neerkomen op vierhonderd borden. De rechts-populistische Jörg Haider, gouverneur van Karinthië, weigerde het vonnis uit te voeren. Het conflict is tot op de dag van vandaag onopgelost.Haider zette de twee bevolkingsgroepen tegen elkaar op en beledigde rechter Adamovich door in het openbaar te zeggen dat gezien zijn achternaam eraan getwijfeld kan worden of hij wel over een verblijfsvergunning beschikt. De bondskanselier kwam er aan te pas en organiseerde dit najaar een 'verzoeningsconferentie', waaraan tot weerzin van de Sloveense Karinthiërs ook Duits-nationalisten deelnamen van verenigingen als de Deutsche Heimatdienst.Er rolde een voorstel uit: de Slovenen moeten genoegen nemen met 138 in twee talen aangeduide gemeenten. In ruil daarvoor zouden ze verworvenheden als de Sloveense radiozender mogen behouden. De Sloveense gemeenschap liet zich niet zomaar haar rechten afnemen en ging niet akkoord. 'Het was chantage', zegt Hugo Hren, actief voor de Sloveense gemeenschap. 'In plaats van de wet uit te voeren en zich dus neer te leggen bij het oordeel van de rechter, bepaalt de politiek in Oostenrijk zijn eigen ongeschreven wetten.'Na het mislukken van de verzoeningsconferentie zei Haider dat de Sloveense radiozender Radio Dva sowieso moest worden opgeheven. Kort daarna draaide de landelijke omroep ORF, zoals alle instanties in Oostenrijk zeer gepolitiseerd, de geldkraan dicht voor de zender. Per januari dreigt zij uit de lucht te gaan, tenzij private financiers redding bieden.Eisenkappel heeft nog geen tweetalig plaatsnaambord. De inwoners zijn, hoe Sloveens of niet-Sloveens ze zich ook voelen, deze taalstrijd moegeworden. Collectief heerst het gevoel dat 'de politiek', Haider voorop, uit eigen belang de bevolkingsgroepen tegen elkaar opzet.'Ik zal er geen traan om laten als dat bord er niet komt', zegt zelfs partizaan Peter Kuchar. 'Ik snak naar de uitbreiding van de Europese Unie', zegt Gottfried Besser. 'Dan is de grens weg, bestaat Karinthië niet meer en zijn we allemaal Europeaan. Laten we dan alsjeblieft met zijn allen Engels gaan praten.'