Het leven zat Koos Schuur dwars

Koos Schuur, die zaterdag op 80-jarige leeftijd overleed, was een legendarische wegbereider van de Vijftigers. Maar de doorbraak vond plaats buiten hem om....

HIJ HAD aan de wieg van de beweging gestaan, in woord en geschrift. Hij was redacteur van het literaire blad Het Woord, dat de deur naar de nieuwe poëzie openzette, maar de beweging ontwikkelde zich zonder zijn poëzie. Toch werd zijn invloed niet vergeten. Zijn dichtersstem werd opgenomen in de bloemlezing Atonaal en hij was vorig jaar nog te zien en te horen in de filmdocumentaire Hotel Atonaal, die Hans Keller over de Vijftigers maakte. Het leven zat Koos Schuur dwars en het zette hem, als dichter, apart. Hij gunde zich de tijd niet zich geheel aan zijn poëzie te wijden. Zijn werk, de zorg voor een gezin, de aanpassing in Australië ontnamen hem de gelegenheid.Hij kwam van het Groninger land, uit Veendam, en noemde zijn poëzie zelf dwars en kregelig. Zijn werk en karakter kenden ook een andere kant, een aanwijzing zit in zijn handtekening, die hij met een fleurig blommetje sierde. Zijn eerste, romantische en traditionele gedichten stonden onder invloed van Rilke en Von Hofmannsthal. De onafhankelijke, experimentele dichter werd pas geboren toen hij in 1943 naar Amsterdam vertrok. Schuur werd er opgenomen in een kring van dichters van wie Jan Elburg voor hem de belangrijkste werd.In die trein naar Amsterdam in '43 ontstonden de eerste regels van Novemberlied, het werd zijn eerste meesterproef. Hij had het niet als een afscheid van de veenkoloniën bedoeld, maar het werd 't: Na de roodbruine warmte van september,/ na van october 't zwaar en donker goud,/ keeren de heldre dagen van november/ met ijle geur van brandend turf en hout,/ van rijpe appels, rottend loof...Nijhoff, in 1945 in Vrij Nederland: 'Er is in ons land een jonge dichter, Koos Schuur genaamd. Onthoud deze naam; lezer, als gij in poëzie belang stelt. Gij zult deze naam, naar ik stellig vermoed, nog dikwijls tegenkomen, en steeds, tenzij ik mij sterk vergis, zal werk door deze naam ondertekend, u weten te boeien.' Met zijn vriend Jan Elburg ontdekte Schuur de poëzie van Eluard, T.S. Eliot, Ezra Pound en vooral Dylan Thomas, hét voorbeeld van iemand die een eigen poëzie vond. In die gesprekken werd de basis gelegd voor Het Woord, dat de wereld en de dichtkunst voorgoed zou veranderen. In een terugblik vorig jaar zei Schuur dat er niet veel van die vernieuwing terecht gekomen was. 'Er zijn wat oude bomen omgehakt'.Hij was niet erg gelukkig in die periode na de oorlog. Hij besloot een mislopend huwelijk te redden door opnieuw te beginnen in Australië, waar het tenslotte toch op de klippen liep. Hij ontvluchtte ook het bittere klimaat van de Koude Oorlog. Nederlandse communisten vielen hem aan op zijn vertalingen van Arthur Koestler. Toch keek hij in dat gesprek vorig jaar tevreden terug: 'We hebben er hoe dan ook voor geijverd dat er een ander soort poëzie geschreven zou worden. We hebben de komst van de Vijftigers in zekere zin voorbereid.'Hijzelf kwam, in het naoorlogse Nederland en later in Australië, nog moeilijk tot schrijven. De haast was te groot voor diepte. Hij wilde te snel omschakelen naar een volkomen, nieuwe, experimentele poëzie. Maar vlak voor hij vertrok, schreef hij Om wat ik van de liefde weet, 'het gedicht dat het dichtst komt bij wat ik wilde'. Hij werkte in Australië als zetter en corrector, de bron van zijn poëzie droogde op. Hij vond er geen cultureel klimaat.Het legendarische dat om hem heen hing, komt niet alleen voort uit zijn poëzie en zijn betekenis voor de vernieuwing, maar ook uit dat verbanningsavontuur in Australië, waarvan hij verslag deed in brieven aan vrienden, doordrenkt van een hilarische wanhoop. Hij kreeg de opdracht voor een emigrantengedicht van het ministerie van OK & W: Fata morgana voor Nederlanders (1956); ook daarin klinkt die stem van teleurstelling door (Ik heb mijn lot in eigen hand genomen/en dit heb ik er nu van).Hij was afgesneden van wat er in Nederland gebeurde. Toen hij de eerste bundel van Lucebert kreeg opgestuurd, viel hij achterover van verbazing. 'Ik dacht: dit is wat ik altijd heb gewild, maar hij doet het al, dus ik kan bij wijze van spreken wel ophouden.' Schuur bleef twaalf jaar in Australië. Na zijn terugkeer in 1962 werd hij chef-lector bij de boekenclub ECI. Hij vertaalde Arthur Koestler, Günter Grass, poëzie van Pound en Thomas, maar als dichter zweeg hij nog bijna twintig jaar. In 1980 verscheen de bundel Waar het was; tien jaar later gevolgd door Signalen. In een interview vorig jaar meldde hij dat er nieuwe gedichten zijn, ze waren alleen 'nog niet vrijgegeven'. Dat komt bij de nalatenschap, zei hij toen. 'Ze zijn nog niet uitgewerkt, of niet goed genoeg.'Willem Ellenbroek