Der Nederlanden: Nederlandse taal, De; Snert

De Nederlander bestaat niet, zei prinses Máxima alweer een tijdje geleden. De opmerking viel niet bij iedereen in goede aarde. Als de Nederlander niet bestond, wie waren wij Nederlanders dan? Wat was onze identiteit? Lastige vragen. Welke zaken bepalen wie we zijn? Wát we zijn? Misschien is nationale identiteit, zo die al bestaat, een bonte verzameling puzzelstukjes, die gezamenlijk de idee van Nederland en de Nederlander vorm geven. Gerechten en tradities, geschiedenis, historische namen, curieuze gewoonten - de Nederlandse taal en zijn rijkdom: snert of erwtensoep?

Snert Op 23 september 1994 eindigde in Singapore het leven van de Nederlander Johannes van Damme. Het was vroeg in de ochtend, een paar minuten voor zes, de zon was nog maar net op. Van Damme was ter dood veroordeeld wegens drugssmokkel. Als galgenmaal had Van Damme erwtensoep gekozen. De vrouwen van de Nederlandse club in Singapore hadden de soep voor hem bereid met ingrediënten die speciaal voor de gelegenheid waren ingevlogen. Ze hadden een flinke portie klaargemaakt, zodat Van Damme niet alleen een bordje snert bij de lunch kreeg, maar er ook nog wat overbleef voor de avond voor hij werd opgehangen. In Van Dammes galgenmaal zat spek en worst. Deskundigen verschillen van mening of die spek er eigenlijk wel in thuishoort. Het enige juiste recept voor erwtensoep - snert - komt, zoals iedereen weet, van je moeder die het weer van haar moeder heeft. In het geval van Der Nederlanden betekent dat, dat de erwtensoep wordt gemaakt van 500 gram spliterwten (géén groene erwten!), tweeënhalve liter water, drie à vier preien, drie aardappelen, een kleine knolselderij, een bosje bladselderij en een bosje peterselie, wat krabbetjes en/of een stukje knieschijf of, als je dat een eng idee vindt, drie schouderkarbonaadjes (wel biologische). Verder twee vleesbouillonblokjes en een of twee lekkere rookworsten, bij voorkeur van slagerij Burggraaf in Culemborg. Snert: heeft Nederland iets mooiers voortgebracht? Bij AH luiden ze deze week de koude dagen in met knusse reclame voor boerenkool, maar zoals iedereen weet moet daar eerst de vorst overheen. Veel beter is het om het winterseizoen af te trappen met een grote pan erwtensoep. Het is de Hollandse maaltijd bij uitstek: aardappelen, vlees en groente, flink door elkaar geprakt en een paar uur doorgekookt. Hoe oud erwtensoep precies is, is niet bekend. Maar in elk geval heel oud; in Een notabel boecxken van cokerijen uit 1514 staat een recept voor erwtensoep op basis van gepureerde groene erwten, uien, saffraan en komijn, en gebonden met broodkruim. Eventueel konden rozijnen worden toegevoegd. Erwtensoep, zegt Ineke Strouken van het Nederlands Centrum voor Volkscultuur, is voortgekomen uit de oude potspijzen: gerechten waarbij groenten en vlees samen in een pot of ketel op een vuur werden gekookt. Het woord snert komt volgens Strouken van 'snerten': iets heel erg gaar koken. 'De ketel werd 's morgens al op het vuur gezet om uren te pruttelen. Voordeel van erwtensoep was dat het bereid kon worden met ingrediënten die lang goed bleven, zoals gedroogde erwten en gezouten vlees. Daarom werd snert ook veel gegeten op schepen die lang onderweg waren.' Iedereen houdt van snert. Dat het er een beetje smerig uitziet, met die grauwe kleur en lompe hompen vlees erin, maakt het gerecht alleen maar aantrekkelijker. Dat vinden ook DirkJan en zijn vette vriend Bert, geschapen door tekenaar Mark Retera. Snert & zo heet hun vorig jaar verschenen kookboek, waarin je 'winterkost voor echte kerels' aantreft: frikadellen, loempia's, de berenhap, bierstoofpot en andere heerlijke recepten, al zijn DirkJan en Bert net zo tevreden met 'sparerib, shoarma, pizza, friet, Chinees' en vinden ze 'direct uit blik trouwens ook altijd verrassend goed smaken.' Snert schept een band en maakt mensen blij. Dat weten ze bij het CDA, waar ze begin dit jaar tijdens de verkiezingscampagne snert uitdeelden; dat weet de NS, die steevast snert verschaft als de wielen weer vierkant worden en de leidingen bevriezen. En als ze het ergens weten, is het bij Unox. Erwtensoep was niet de eerste soep die de fabriek in Oss voortbracht - dat was tomatensoep, in 1957 - maar het is wel een van de best verkochte. In televisiecommercials en tijdens de Nieuwjaarsduik presenteert Unox zich graag als specialist Wintergevoel. Zeventien mensen zijn bij Unox fulltime bezig met de erwtensoep. Basis van de soep is een erwtenpuree, verder stopt Unox er rookworst in, wortel en selderij. Opvallend: slechts de helft van de erwtensoep wordt in de wintermaanden verkocht. Taal, Nederlandse Het zinnetje 'Hebban olla vogala nestas hagunnan hinase hic enda thu, uuat unbidan uue nu' gold lang als het oudste zinnetje in het 'Nederlands'. Het werd in 1932 ontdekt in Oxford en vermoedelijk rond 1070 opgeschreven door een West-Vlaamse monnik in een Kents klooster. Maar inmiddels kennen we Oudnederlands van vroeger datum, zoals de 'Leidse Willeram', fragmenten uit het Hooglied, en de 'Wachtendonkse Psalmen', uit de 9de eeuw. Bovendien is het de vraag of 'Hebban olla etc.' wel Oudnederlands is, misschien is het wel Oudengels of een mengelmoesje. Taal is een raar ding. Taal is vloeiend water waarnaar we kijken alsof het gestold is. Veel mensen hebben grote moeite met de flexibiliteit en de neiging tot ontwikkeling en verandering van taal. Zij zouden het Nederlands het liefst conserveren en van alle vreemde smetten bevrijden. Een tot mislukken gedoemd en tevens ongewenst streven, dat de levende taal zou doden. We zullen ons erbij moeten neerleggen dat de Nederlander van 2200 onze taal van 2010 vol onbegrip zal aanhoren. Nederlands wordt als eerste taal gesproken door ongeveer 23 miljoen mensen, voornamelijk in Nederland en Vlaanderen. Rekenen we het Afrikaans mee én de veertien miljoen wereldburgers voor wie Nederlands de tweede taal is, dan zijn er op de wereld ongeveer 44 miljoen Nederlandssprekenden. Met Duits en Engels behoort Nederlands tot de grote drie Germaanse talen. Van de woordenschat zijn 400duizend trefwoorden opgenomen in het Woordenboek der Nederlandse Taal, het grootste woordenboek ter wereld: het Nederlands vanaf 1500 in gestolde vorm. De stamboom van het Nederlands loopt vanaf het Germaans, een van de indo-europese talen, naar het Noordzeegermaans en het Oudnederfrankisch, en vandaar naar het Oudnederlands (vanaf de 9de eeuw) en het Middelnederlands (1150-1500) naar ons moderne Nederlands. Classificering en datering van talen zijn pogingen tot exactheid in hoogst complexe processen. Hendrik van Veldeke, dichter te Maastricht rond 1170, geldt als eerste Nederlandstalige poëet, maar ook als de eerste Duitse. Uit het Middelnederlands - verzamelnaam van talloze dialecten - zijn vrij veel bronnen beschikbaar. Ook de eerste literaire: Van den Vos Reynaerde bijvoorbeeld, in Gents dialect, waarin achthonderd jaar geleden adel en geestelijkheid er al van langskregen. Pas aan het eind van de 15de eeuw is voor het eerst sprake van 'Nederlands'. Boekdrukkunst, reformatie en later de opstand tegen Spanje zetten het proces in gang naar een gemeenschappelijke en gestandaardiseerde volkstaal. Dat ging gepaard met de eerste woordenboeken en grammatica's. Na de val van Antwerpen in 1585 ontwikkelde het Nederlands zich verder in de noordelijke gewesten, onder sterke invloed van de tienduizenden Vlaamse vluchtelingen. Nog steeds is in het Nederlands sprake van 'zuidelijke', vaak als deftig ervaren woorden, versus de wat volksere Hollandse varianten: gaarne-graag, schoon-mooi, tevens-ook. Het Nederlands als eenheidstaal kreeg in 1637 vorm met de publicatie van de Statenbijbel. Voor het eerst werd de bijbel direct vanuit het Hebreeuws, Grieks en Aramees vertaald in het Nederlands. In een nieuw Nederlands, dat in alle gewesten verstaanbaar en begrijpelijk moest zijn; de vertalers en 'reviseurs' waren opzettelijk gekozen uit verschillende landsdelen. Alleen in Drenthe konden ze niemand vinden die over voldoende kennis beschikte. Geen ander boek heeft zo'n enorme invloed op de Nederlandse taal gehad. Het aantal door de vertalers nieuw-bedachte woorden (aanfluiting, muggenzifter, zondebok, slachtoffer) is eindeloos, evenals het aantal nieuwe uitdrukkingen: 'in zak en as zitten', 'te elfder ure', 'steen des aanstoots', 'niet van gisteren zijn' en 'de inwendige mens'. Nu de Nederlandse taal vorm had gekregen, kwamen onherroepelijk de regelmakers die het allemaal wilden gaan vastleggen in spraakkunsten en de overheid die de natievorming ook via de taal ging stimuleren. In 1797 werd de voormalige dominee Matthijs Siegenbeek in Leiden benoemd tot de eerste Hoogleraar Nederlands. Hij schreef in 1804 de eerste spellingwijzer: aan hem danken we de ij als vervanger van de y. Het gehakketak over de correcte spelling en de bijbehorende spellingswijzigingen is sindsdien niet meer verstomd. Sinds 1954 verschijnt om de tien jaar het Groene Boekje, met daarin verwerkt de nieuwste schrijfwijzen en veranderingen. Elke nieuwe editie veroorzaakt steevast felle protesten van verontwaardigde taalgebruikers, en grote vreugde bij de makers van het 'Groot Dictee der Nederlandse taal'. Het Nederlands gaat intussen gewoon zijn eigen gang. Met nieuwe woorden, met Engelse leenwoorden, met woorden die verdwijnen en andere die van betekenis veranderen. Als een prachtige rivier, die altijd stroomt maar nooit hetzelfde is, en waarvan de mooiste impressies voor de eeuwigheid zijn vastgelegd in romans en gedichten. mmv NED. centrum voor volkscultuur uw reacties en tips
Haalt u in uw lemma 'Storm' (DN, 16-10) stormvloed en springvloed niet door elkaar? Werd de ramp in 1953 niet ook veroorzaakt door springvloed, hoge vloed beïnvloed door de maan? (Gerben de Boer) 'Nederlandse gezelligheid hangt samen met huiselijkheid' (DN, 16-10). Die uitspraak verdient verfijning. Gezelligheid kent geen tijd, maar ook geen plaats. Gezelligheid kan overal opbloeien of, zo men wil, voortwoekeren, in het huiselijk of in het publieke domein, in Nederland of elders. Het verschijnsel heeft een eigen dynamiek waarin het 'samen' maar één van de factoren is. Ook tijd en ruimte zijn van belang, al zijn ze niet determinerend. (Paul Pennartz) Stiks en vast een dag voor de kerstdagen verzocht mijn moeder mij: 'Denk erom dat je gezellig doet.' Niet dat je gezellig bent, maar gezellig doet. Hoe dan ? Dat heb ik vast gedacht. Inmiddels ben ik 70 jaar, mijn moeder is overleden en ik heb naast bovenstaand dringend verzoek gelukkig ook goede herinneringen aan haar. Maar nog altijd ben ik blij als de feestdagen voorbij zijn, ik houd er niet van, al probeer ik elk jaar 'gezellig te doen'. (Tannie van Eck) Volgende week: Calvinisme, Het mail: dernederlanden@volkskrant.nl of kijk op vk.nl/dernederlanden