Van onbezorgde satire is geen sprake

Het Blackfacetheater, waarin witte acteurs zich zwart schminkten, is een traditie die zo snel mogelijk vergeten moest worden. Maar de beladen stijlvorm is terug, in Hollywood en op het Nederlandse toneel. ‘Dit kun je alleen doen als je ervan geniet tegen de goede smaak in te gaan.’

Zeker, hij twijfelde. Acteur Robert Downey jr. was bang, zo zei hij in een interview, dat hij om deze filmrol publiekelijk ‘gekruisigd’ zou worden. Dat hij beschuldigd zou worden van racisme. Maar nee. Het werd een Oscar-nominatie en een onschuldig grapje tijdens de Oscaruitreiking. Cuba Gooding jr. kondigt op het podium de nominaties voor beste mannelijke bijrol aan, en spreekt Robert Downey jr. quasiverontwaardigd toe: ‘Ben je nu helemaal gek geworden? Je neemt ons alle banen af!’

Downey jr. was dit jaar genomineerd als zwarte man. Of beter: hij speelt in Tropic Thunder een blonde Australische acteur, die een rol speelt als Afro-Amerikaanse soldaat in een Vietnamfilm. Downey’s Australische personage is zwart geschminkt, heeft een Afro-pruik, en gaat zo in zijn rol op, dat hij ook buiten de scène grossiert in maniertjes en taalgebruik waarvan hij denkt dat die horen bij zijn rol als ‘zwarte Vietnam-soldaat’. En dat alles in een komedie van Ben Stiller, de regisseur van minder subtiele, maar verder ongevaarlijke dijenkletsers uit Hollywood.

Nog steeds controverse rond Al Jolson

    De bekendste originele Blackface-acteur van de vroege 20ste eeuw is Al Jolson. De zanger en acteur, zelf Joods, trad vaak op in Blackface-karakters. In februari dit jaar werd in Edinburgh de opvoering van de musical Jolson & Co, die over het leven en werk van Jolson gaat, echter gekuist van Blackface. De Schotse musicalproducent besloot dat de acteur zich niet zwart mocht schminken in de musical over Jolson – dat zou te veel gevoeligheden oproepen. Dat er in Europa gevoeliger over het beladen verleden van deze traditie wordt nagedacht dan in Amerika, blijkt uit het feit dat het origineel in New York rond 2000 wel gewoon is opgevoerd met geschminkt gezicht. Geen probleem, volgens de Amerikaanse acteur. Hij zegt in een interview: ‘Andere Blackface-performers van dat tijdperk waren beschamend en beledigend, maar Jolson begreep iets van de zwarte ziel, en hij verbond zijn eigen ervaring van een buitenstaander in Amerika, aan de ervaring van een Afrikaanse slavenachtergrond.’
]]>

Bloggers
Goed, er is een reeks bloggers die nogal verbaasd schrijven dat het eigenlijk niet past in de 21ste eeuw om als witte acteur zwarte schmink op te doen, en dat een nominatie van zo’n rol in dezelfde week als de inauguratie van Obama een smakeloze bedoening is. Maar dat zijn uitzonderingen. Van fel debat is geen sprake geweest. Bijna alle krantencommentaren rond de nominatie beperkten zich ertoe hoe opmerkelijk het is dat een komische rol genomineerd wordt, of beschrijven heel technisch hoe Downey zijn rol speelt.

En dat is op zijn minst een wonderlijke situatie. Downey en Stiller refereren met deze rol direct aan de, vooral in de VS, zeer beladen Blackface-traditie. Eerst op het toneel, later ook in de film, werden in de 19de eeuw en tot zeker de jaren 1950 zwarten gespeeld door witte acteurs, die zich zwart schminkten.

Het gebruik stamt uit de zogeheten Minstrel shows, maar het schminken bleef in Amerika en Engeland nog bestaan toen die theatervorm al verdwenen was. De Blackface-acteurs speelden meestal sullige, dommige karakters met vet aangezette maniertjes, waar het witte publiek dan om lachte. Zodat Blackface tegenwoordig beschaamd wordt gezien als uiting van diepgeworteld racisme in het Westen – een traditie die zo snel mogelijk vergeten moest worden.

Broadway
Maar dat is niet gebeurd. Althans, de laatste jaren duikt de Blackface-traditie weer op. In Hollywood, op Broadway, en deze week in de Nederlandse theaters. Vrijdag ging de voorstelling The right thing in première, van theatergroep Urban Myth. Vandaag begint de tournee van muziektheatergroep Orkater. Beide gezelschappen maken voor hun voorstelling gebruik van de Blackface-traditie; witte acteurs schminken zich zwart, één zwarte schminkt zich wit, en acteren daarmee een ‘rassenwissel’.

Waarom doen ze dat? Wat betekent het als anno 2009, het jaar van Obama, deze beladen stijlvorm op het podium staat?

In een besloten try-out in Amsterdam Osdorp wordt begin maart de laatste hand gelegd aan de voorstelling The right thing. Vier witte acteurs staan op het podium. Drie van hen schminken zich zwart, een wit. Er worden foute ‘negermoppen’ verteld, gesproken met een vet Surinaams accent, vooroordelen worden opgebiecht.

Het is vooral acteur Koen Wouterse die met de Blackface-vorm aan de slag gaat. In zijn monoloog rolt hij met zijn ogen, loopt onhandig, later kan hij zijn lusten niet bedwingen bij het zien van een vrouw. Het is overdreven, precies zoals de typetjes van ‘de seksbeluste neger, de angry black man, en uncle Tom’ uit het oude Blackface-theater, vertelt Wouterse later. Maar dat is een aanpak die hij heel bewust heeft gekozen; ‘Ik heb de vinger niet van de zere plek afgehaald. Want je weet: als je dit gaat doen, dan gaat het pijn doen.’

Stap
Het is, vertelt regisseur Jörgen Tjon A Fong, tijdens de repetities een drempel waar hij over heen is gegaan. Wat hij eerst niet had kúnnen doen, is hij samen met de acteurs behoedzaam uit gaan vergroten. ‘Een stap, die je eigenlijk niet zou mogen maken, wilde ik toch zetten. Deze stijl kan je alleen hanteren als je er echt van geniet dat je tegen de goede smaak ingaat. Tegelijk moet je steeds bewust blijven van de wrede historie.’

Want wat wil Urban Myth? Het stuk, gebaseerd op een film van Spike Lee, wil pijnpunten opzoeken, vertelt de van oorsprong Surinaamse Tjon A Fong. De Blackface-stijl, inclusief ‘foute grappen’ is deel van ‘een onderzoek’. Door een witte cast zwarte schmink te laten gebruiken, wil hij kijken ‘hoe anderen, acteurs en publiek, met de discriminatieproblematiek omgaan’. ‘Het gaat over stereotypen, die om te lachen zijn en beschamend tegelijk.’

In Schiedam, een dag later, speelt Orkater zijn eerste try-out van het stuk dat zelfs Blackface is genoemd. De verhaallijn, gebaseerd op de roman Brazil van John Updike: een zwarte jongen en een wit meisje worden verliefd, maar de families werken tegen. Hoewel het stuk luchtiger overkomt en hier een belangrijke rol is weggelegd voor de Minstrel-muziek, buitelen ook hier beladen clichés uit het Amerikaanse Blackface-theater en de Minstrel-shows over elkaar.

Politiek statement
De voorstelling wil echter niet zozeer een ‘politiek statement’ maken, benadrukken componist, regisseur en schrijver Vincent van Warmerdam en regisseur/schrijver Michel Sluysmans. Door Orkater wordt Blackface ingezet als onderdeel van een reeks stijlfiguren die passen bij de tijd waarin het verhaal speelt; de banjo, de veranda, een Indiaan. Sluysmans gebruikt Blackface naar eigen zeggen om een genuanceerd en universeel verhaal te vertellen over ‘identiteit’, en over het wisselen daarvan. En voor Van Warmerdam begon het allemaal met een inhoudelijke interesse in de vergeten muziekstijlen uit de periode van de Minstrel-shows.

Toch refereert Van Warmerdam in zijn uitleg na afloop aan ‘de moord op Theo van Gogh’, en de behoefte van Orkater sindsdien meer met engagement te doen. 'Het idee voor Blackface stamde uit de tijd ervoor, maar die gebeurtenis geeft het wel een andere lading.’ Volgens Mike Libanon, de enige zwarte acteur in de voorstelling, is het stuk verpakt in de historische vorm van een ouderwetse Minstrel-show, maar heeft het een actuele lading: ‘We zeggen: de verdraagzaamheid is nog steeds ver te zoeken’. Libanon denkt overigens dat het zwart-wit-thema nu niet meer zo enorm heftig is als een tijd geleden. ‘We zijn er nu wel aan gewend. Het zou gewaagder zijn als je een stuk maakt waarin wij door Marokkanen gediscrimineerd worden.’ Desalniettemin hoopt hij dat er niet alleen traditioneel wit theaterpubliek op af komt, en dat er ‘fel gereageerd wordt’.

Engagement
Het zijn dus serieuze overwegingen, van de Hollandse theatermakers. Van onbezorgde satire is geen sprake, wel van meer of minder engagement. Hoe verschillend de Nederlandse voorstellingen ook zijn, hun Blackface-aanpak komt daarmee op hetzelfde neer. De theatermakers gaan er van uit, dat het (overwegend witte) theaterpubliek de dubbele bodem van de schmink zal begrijpen: de witte acteur verft zich zwart, maar dat doet hij niet om, zoals vroeger, de zwarte belachelijk te maken, maar juist om het publiek ‘aan het denken te zetten’ over thema’s als ras, identiteit en vooroordelen.

Hoe anders lijkt de aanpak van Hollywood-regisseur Ben Stiller te zijn. Stiller zegt in interviews helemaal niets met zijn ‘Blackface’-motief te willen. De rol van Downey jr., aldus Stiller, gaat niet over zwart of wit, maar gewoon over acteren, over hoe een acteur zich kan verliezen in een rol.

Het lijkt een omkering van zaken; in het Nederlands theater wordt de Amerikaanse Blackface-traditie gebruikt met een maatschappelijke boodschap. Terwijl het behoedzame Hollywood, bewust van de enorme gevoeligheid rond rassenproblematiek, net doet alsof er niets aan de hand is wanneer je een witte acteur zwart verft. En in het Amerikaanse publieke debat wordt er geen probleem van gemaakt.

Verrassend
Dat is op zijn minst verrassend. Nog in 2000 maakte de zwarte regisseur Spike Lee de kritische satire Bamboozled. In deze film stelt een ontgoochelde zwarte tv-maker voor een hedendaagse Minstrel-show te maken, waarin niet witten zich zwart verven, maar zwarten nog zwarter worden geschminkt; de show wordt een enorme hit.

In plaats van een dergelijk ‘kritisch’ gebruik, duikt Blackface in Hollywood opeens in onbezorgde komedievorm op. Een variatie op het thema is in 2004 bijvoorbeeld te vinden in de film White Chicks. Twee zwarte FBI-agenten verkleden zich hierin als blonde, witte, rijke jonge vrouwen. Je kan er bij een melige mainstream komedie als White Chicks makkelijk aan voorbij gaan, maar in feite gaat het hier om niets minder dan de omgekeerde Blackface-traditie; zwarte acteurs verkleden zich als witte vrouwen, bedoeld om de lachlust, ook van een zwart publiek, op te wekken.

Er is na het verschijnen van Tropic Thunder geopperd dat deze Hollywood-ongein rond het zwart (of wit) schminken een nieuwe postraciale tijd aankondigt: het tijdperk Obama, waarin het niet uitmaakt welke kleur je hebt, dus je kan overal grappen over maken.

Domme zwarte
Zo eenvoudig is het nu ook weer niet. Allereerst gaat het niet op voor Nederland, benadrukt regisseur Tjon A Fong. Je kan volgens hem op toneel alleen grappen maken over een ‘domme zwarte’, als er in dat land ook een zwarte minister of premier is. ‘Er moet evenwicht in de media, in het heersende beeld zijn. Dat kan alleen als je in alle sectoren Obama’s hebt, en dat is in Nederland niet zo.’

Neutraal gebruik van Blackface gaat echter ook niet op voor Hollywood. Ook Ben Stiller heeft er alles aan gedaan geen grenzen te overschrijden. Het schijnt dat de Blackface-rol in Tropic Thunder pas doorgang kreeg, toen er een ‘echte’ zwarte acteur naast werd gezet. Diens personage gaat steeds in dialoog met de ‘Blackface’, en heeft in feite de functie om de lachwekkendheid van de witte-acteur-die-een-zwarte-speelt aan te tonen. De witte is eerder een karikatuur dan de zwarte. Daarmee legt Downey’s rol juist de vinger op Afro-American clichés waar Hollywood zelf in grossiert.

Er zijn daarmee overeenkomsten tussen de Amerikaanse en Nederlandse Blackface’s aan te wijzen. De oude stijl heeft in al deze voorstellingen een nieuwe functie gekregen. Postraciaal kan je het niet noemen, maar van enige historische afstand is zeker sprake. De oude vorm wordt ingezet voor, zoals ze het bij Orkater noemen, meer ‘universele thema’s’.

Commedia del' Arte
Jörgen Tjon A Fong en Koen Wouterse van Urban Myth wijzen er bijvoorbeeld op dat de Blackface-traditie het best als een soort Amerikaanse Commedia del’ Arte-stijl gezien kan worden. Ze noemen de stijl uit de Minstrel-shows rijk aan personages, aan inspirerende muziekvormen en aan gelaagde culturele betekenissen. Volgens acteur Koen Wouterse zou Blackface over een paar decennia best wel eens gewoon een clowneske ‘stijlfiguur’ uit de theatergeschiedenis kunnen zijn geworden; er is de Pierrot, en er is de Blackface.

In de Amerikaanse cultuurwetenschappen zie je dergelijke onderzoekende invalshoeken al langer. Het 19de-eeuwse Blackface-theater en de Minstrel-shows zijn vanaf de jaren negentig steeds vaker onderwerp van onderzoek. De eerste veroordeling als ‘racistisch’ lijkt te hebben plaatsgemaakt voor het label ‘complex cultureel fenomeen’. Zo is onderzocht hoe de witte dominante cultuur dankzij de Minstrel-shows in contact kwam met de Afro-Amerikaanse muziekcultuur, of waarom het regelmatig Joodse emigranten waren die op het podium zwarten speelden. Ook worden de emancipatorische kanten van de Blackface-traditie benadrukt: sommigen zien in de Minstrel-shows het begin van de emancipatie van de Afro-Amerikanen, omdat de zwarte tegencultuur hieruit is voortgekomen. ‘Hoe ongeloofwaardig het ook mag lijken’, zo staat te lezen in het boek Inside the Minstrel Mask. Readings in 19th-century Blackface Minstrelsy, ‘de opkomst van zulke innovatieve artiesten als Charlie Parker, Alvin Ailey en Richard Pryor is uiteindelijk mogelijk gemaakt door creaties als Jim Dandy, Zip Coon en Sambo.’

Ivoren toren
Het theaterpodium is geen wetenschappelijke ivoren toren, dus zo afstandelijk zal Blackface in de Nederlandse theaters niet snel te zien zijn. Sterker: de vorm kan door Urban Myth waarschijnlijk makkelijker gebruikt worden, zegt Tjon A Fong, omdat hij zelf van Surinaamse afkomst is. Net zoals dat werkt met Joodse humor. En Vincent van Warmerdam noemt de donkere hoofdrolspeler Mike Libanon als ‘zijn alibi’ om met Blackface te kunnen werken.

Het is daarbij ook maar de vraag of een ‘neutraal’ gebruik van de Blackface-traditie interessant zou zijn voor hedendaagse theatermakers. Als het allemaal neutraal was geweest, zou het anno 2009 niet op het podium worden gebruikt. Het is een rijke vorm, zeggen ze bij Urban Myth, maar ‘de stijl valt niet los te koppelen van de wrede geschiedenis.’ Zoals Tjon A Fong het zegt: ‘Ik zou het helemaal niet leuk vinden als het publiek de Blackface-karakters alleen als ongevaarlijk variété, een soort André van Duin, zou gaan zien.’