Nelly Frijda

Joden zijn bijzonder, wist actrice Nelly Frijda (74) al vroeg in haar leven. Kind van verzetsstrijders, opgegroeid met een joods onderduik-‘zusje’, relaties met een joodse psycholoog en een joodse pedagoge en nu op het toneel als de vrouw die verliefd werd op Adolf Hitler....

De enscenering is zacht gezegd nogal kaal. Eigenlijk is er van enscenering zelfs helemaal geen sprake. Op het toneel van De Meervaart in Amsterdam zitten vijf acteurs. In hun gewone kleren, de tekst op schoot. In hun midden Nelly Frijda, die Winifred Wagner speelt, de hoofdrol in Ik hield van Hitler. De kaalheid van het toneelbeeld wordt ruimschoots goedgemaakt door de tekst en de voordracht. Na afloop verlaten de zestig toeschouwers ietwat bedremmeld de zaal. Ja, zestig; is misschien niet veel, zal Frijda later zeggen. Maar nog altijd meer dan de achttien die er laatst in Heerenveen zaten. Moet je nagaan, rijden ze met vijf acteurs plus technici helemaal naar Friesland, zit er maar een handjevol. ‘Maar goed, die achttien hebben toch een mooie avond gehad.’

We zitten op de eerste verdieping van haar huis, een eeuwenoud pand aan een Amsterdamse gracht. Ze woont er al bijna dertig jaar, tot volle tevredenheid, maar toch is ze bezig het te verkopen. Alleen dan kan ze stoppen met werken. ‘Dus al die boeken’, zegt ze wijzend naar de uitpuilende kasten die ons aan alle kanten omstuwen, ‘die moet ik allemaal in dozen gaan doen.’ Beneden piept haar telefoon. Even later stuitert vanuit de bijkeuken haar schrille lach de trap op. ‘Wat denk je? Het is vandaag 20 april. Krijg ik een sms’je: ‘Gefeliciteerd met de verjaardag van Hitler.’’

Ik hield van Hitler is bij uitstek een lowbudgetproductie. Het stuk maakt deel uit van een drieluik, geschreven door Ton Vorstenbosch en Kiek Houthuijsen. Een prachtig project, vindt Frijda. Maar geen producent die het wilde hebben. ‘Dan kun je het op de plank laten liggen. Wij hebben gezegd: we gaan het gewoon voorlezen en kijken of we het kwijtraken in de kleinere theaters.’

Het is een rare rol die ze speelt. ‘Die Winifred Wagner is natuurlijk een doodeng wijf.’ In een paar zinnen zet ze de levensloop van haar hoofdpersoon uiteen. Op haar 2de verloor ze haar beide ouders, daarna ging ze van gesticht naar weeshuis. Op haar 18de werd ze uitgehuwelijkt aan Siegfried Wagner, de zoon van componist Richard. ‘Die man was 28 jaar ouder dan zij. Ze werd gewoon ingezet als fokzeug en om de geruchten over Siegfrieds homoseksualiteit te ontzenuwen. Ze kreeg vier kinderen die ze in haar eentje moest opvoeden omdat haar man lekker zijn eigen gang ging. Uiteindelijk werd ze verschrikkelijk verliefd op de eerste man die ooit aardig voor haar was: Adolf Hitler.’ Het is de slotzin van het stuk: ‘Ik hield van Hitler.’ Frijda huivert wanneer ze ’m uitspreekt. ‘Die slotzin is verschrikkelijk. Het is een gruwelijk besef dat ik voor zo iemand begrip en medelijden oproep. Ik heb er tegenstrijdige gevoelens bij. Het is een tragische vrouw met een treurig leven, maar ook een verwerpelijk mens. In 1975 zei ze in een documentaire: ‘Het was echt niet Hitlers idee. Het kwam door de partij.’ Ik kom uit de Rivierenbuurt, heb van dichtbij meegemaakt hoe de joden werden weggevoerd. Ik zie nog hoe onze buren – opa en oma – werden afgevoerd. Hoe oma tussen het gegil en geschreeuw tegen me zei: ‘Nelly, zul je nog weleens aan ons denken?’ Hoe ouder ik word, hoe meer last ik daarvan krijg. Die beelden worden eerder helderder dan vager.’

Ze pauzeert, neemt een flinke teug van haar inhaler. ‘Ik heb de dokter plechtig beloofd dat ik dat twee keer per dag zal doen.’ Sinds ze gestopt is met roken heeft ze last van astma. ‘Dat vind ik zo ontzettend onaardig en oneerlijk.’ Die peuken in de asbak op tafel zijn ook niet van haar, benadrukt ze, maar van partijgenoten van Red Amsterdam met wie ze gisteren fractievergadering had. Want Frijda heeft een druk leven: vier keer per week spelen en sinds kort ook nog het politieke werk.

Aanvankelijk schrok ze dat Red Amsterdam ook echt de gemeenteraad haalde. Even overwoog ze om er zelf geen zitting in te nemen. ‘Maar ja, ik heb zo’n grote bek over kiezersbedrog. Dan kun je het niet maken om dik vijfduizend voorkeurstemmen te negeren.’ Ze probeert bijna elke dag op het Stadhuis te zijn. Vanmiddag gaat ze nog even ‘naar kantoor’. Mails lezen van de Raad – thuis heeft ze geen e-mail. ‘Ik háát internet. Een schande dat zoiets mag bestaan. Het vervreemdt mensen totaal van elkaar. Persoonlijk contact bestaat bijna niet meer. Je kunt toch ook even bellen?’

Hoe bevalt het in de gemeenteraad? ‘Het heeft iets geks om daar ineens te zitten. Ik had Job Cohen nog geen hand gegeven of hij ging alweer weg.’

Hoe vond u dat? ‘Raar. Omdat je heus wel snapt dat dat van tevoren al geregeld was. Ik ken Job al heel lang. Best een aardige man. Maar hij is ook de man van de vreemdelingenwet. Laten we dat vooral niet vergeten. Het geval Gümüs herinner ik mij nog glashelder. Cohen heeft dus ook een bikkelharde kern.’

Dat is zo raar aan de gemeenteraad van Amsterdam, zegt ze. ‘Iedereen heeft altijd zijn mond vol over China of Rusland, waar veertig jaar dezelfde mensen aan de macht zijn. Hier in Amsterdam maakt de PvdA al dik veertig jaar de dienst uit. Ik heb altijd PvdA gestemd, maar die arrogantie stuit me inmiddels zo tegen de borst.’

U speelt al ruim vijftig jaar toneel. Waaraan merkt u dat uw vakmanschap groeit? ‘Geen idee. Ik denk eigenlijk altijd dat het niet goed is wat ik doe. Ik vind mezelf nooit goed.’

Hebt u dat alleen op het toneel of in het algemeen? ‘In het algemeen. Ik ben een ontzettende twijfelaar. Ik vind het gewoon niet geweldig wat ik doe.’

Waarom niet? ‘Nou ja, ik ben geen Kitty Courbois.’

Wat bent u dan wel? ‘Laat ik zeggen: iemand die zijn geld ermee verdient.’

U speelde mevrouw Van Daan, in Het Dagboek van Anne Frank. Echt een mooie rol. ‘Vónd je dat? Ach ja, die vrouw. God, wat verschrikkelijk. Als je zo’n klein denkraam hebt en dat allemaal moet meemaken. Die vrouw huilde tranen met tuiten omdat haar bontjas verkocht moest worden. Die jas was d’r hele leven. Och, wat zielig’

Opeens grote tranen in haar ogen. Dat heeft ze wel vaker, zegt ze. ‘Ik ben ontzettend sentimenteel. Hoe ouder je wordt, hoe meer je een watje wordt.’

Ze had eigenlijk bioloog willen worden. Als kind liep ze hele dagen in haar eentje door Artis. Maar nadat ze van het gymnasium was gestuurd, viel die droom in duigen. ‘Jammer, want ik ben altijd gek geweest op beesten. En ik kende Artis-bioloog Portielje.’

Wel een eenzaam beeld; dat meisje in haar eentje in Artis. ‘Ik ben altijd alleen geweest. Met mijn oudere broer had ik een slecht contact. Mijn ouders keken weinig naar mij om. Ik was 4 toen de oorlog uitbrak. Nadien waren ze allebei druk in het verzet. Ze hielpen joden aan onderduikadressen. Voor mij hadden ze geen tijd. Ik weet nog dat ik in het voorjaar van 1943 op schoolreisje was in Artis. Ik liep in het Papegaaien-laantje naast Bob, een jongetje uit een groot katholiek gezin. Het leek me zo gezellig, broertjes en zusjes. Ik zei: ‘Als ik ooit een zusje krijg, dan ga ik spontaan in God geloven. Dan word ik ook katholiek.’ Ik kwam thuis en kon mijn ouders nergens vinden. Mijn moeder stond in de slaapkamer naast een commode, waar een pop op zat. Een levende pop. Mijn moeder zei vanuit haar mondhoek, op een toon waarvan je direct snapte dat je verder je bek moest houden: ‘Nelly, dit is je zusje.’ Een joods meisje. Ik ben zelden in mijn leven zo gelukkig geweest. En minimaal zes weken diepgelovig. Mijn moeder was hartstikke zuinig op haar. Het was toch een geleend kind.’

Was u niet jaloers? ‘Nee. Ik was dol op haar. Ze was anderhalf. Omdat ik door de oorlog niet naar school hoefde, trok ik dag en nacht met haar op.’

‘Mijn ouders hebben zich als helden gedragen. Het was ontzettend gevaarlijk om een joods kind in huis te nemen. En eigenlijk volstrekt onverantwoord als je diep in het onderduikwerk zat. Maar mijn ouders vonden het als rechtgeaarde SDAP’ers gewoon hun plicht. Je moet andere mensen in nood helpen, klaar. Mijn moeder heeft de hele oorlog in zak en as gezeten omdat er uit een in bewaring gegeven inboedel twee zilveren kandelaars waren gestolen. De angst dat iemand ook maar zou denken dat ze die verkocht had; daar sliep ze bijna niet van. Ik heb mijn vader één keer horen huilen, toen ik al in bed lag. Hij was net bij een joods gezin geweest dat geweigerd had in de onderduik te gaan. ‘Ach Johannes, een beetje werken in Duitsland zal ons toch geen kwaad doen.’ Hij was verbijsterd. ‘Ze willen niet, ze durven niet. Wat nu?’ Echt een dappere man.’

Lijkt u op hem? ‘Dat denk ik wel. Ik heb zijn rechtlijnigheid. Geen prettig idee. Want hij was ook zo’n rigide man. Als ik op zijn schoot kroop, veegde hij me er direct vanaf. Dat vond-ie doodeng. Op dat vlak was er een totaal onvermogen. Emotioneel was hij helemaal dicht gecementeerd. Ik kreeg van mijn ouders weinig aandacht. Die mensen hadden wel iets anders aan hun hoofd. Die onderduikers waren toen belangrijker voor ze. De enige manier om een beetje aandacht van ze te krijgen was via driftbuien. Die had ik dus ook om de haverklap.’

Was het gezin na de oorlog getekend door wat er was gebeurd? ‘We zijn er allemaal door beschadigd. Omdat er zo veel mensen waren die niet terugkwamen. Mijn jongste zoon is een boek aan het schrijven, over het feit dat hij een joodse vader en een niet-joodse moeder heeft. Een paar maanden geleden ben ik samen met hem naar Auschwitz geweest. Hij heeft niks aan me gehad, helemaal niks. Ik sloeg totaal dicht. Ik dacht alleen maar: oh, die is hier vermoord, en die en die. Verschrikkelijk.’

U moet als kind toch wel de warmte van het gezin hebben gemist. Uw ouders bekommerden zich vooral om anderen. ‘Natuurlijk. Ik ging ook op mijn 17de het huis uit. Daarna kwam ik Nico tegen (psycholoog Nico Frijda, CV). We trouwden en ik werd moeder. Nico wilde het eigenlijk niet, maar ik wilde het juist heel graag. Ik had er wel zes gewild, maar dat vond hij te veel. Ik droomde van een groot gezin waar het altijd gezellig was.’

Houd je later last van zo’n moeizame start? ‘Ik vind dat ik het zelf met mijn dochter en twee zoons niet goed heb gedaan. Ik had er veel meer voor ze moeten zijn. Maar ik was bezig, met mezelf, met piekeren. Ik heb altijd het gevoel gehouden: ik deug niet, ik schiet tekort. Ik ben bang dat ik ze te weinig heb meegegeven. Dat is naar, want dat is natuurlijk nooit je bedoeling.’

Ze had behalve het moederschap ook haar carrière. Ze ging het cabaret in, speelde bij Wim Kan. Haar ouders hebben haar daar nog zien optreden. ‘Mijn moeder zei alleen: ‘Je zong wel een beetje vals.’

Daarna volgden honderden rollen, voor toneel, televisie en film. Al kent de jongere generatie Frijda vooral van haar rol als Ma Flodder. Vindt ze niet erg, zegt ze. Al wordt ze het geroep op straat wel zat. ‘Gisteren nog, riep er weer iemand: ‘Hé Ma!’ Dat is irritant.’

Was Ma Flodder gebaseerd op iemand die u kende? ‘Nee, ik heb haar bedacht. In de eerste film verhuist ze vanuit een armoedig woninkje naar een echt huis. Ze loopt door het huis en zegt: ‘Deze kamer neem ik.’ Ik had van tevoren gedacht: wat voor vrouw is het nou? Ze heeft vijf kinderen van vijf verschillende mannen. Niet één man is bij haar gebleven. Hoe ordinair en grof ze ook is, ze waakt over die kinderen als een leeuwin. Ze is echt goed voor ze, al is ze volgens mij ook eenzaam. In dat nieuwe huis staat ze uit het raam te staren. In dat ene moment wilde ik laten zien dat die vrouw ook andere dingen in haar hoofd heeft zitten, dat ze niet alleen maar grof en lomp is. Ik wilde er meer van maken dan een stripfiguur. Als zoiets me lukt ben ik daar echt blij mee.’

Zit er net zo’n proleet in uzelf? ‘Ik ben ook op straat opgegroeid. Maar zo erg ben ik natuurlijk niet. Ik vind haar ook geen proleet. Ze is een mens.’

Haar ouders maakten maar een klein deel van haar loopbaan mee. Eerst stierf haar vader, daarna haar moeder. Het afscheid van haar moeder verliep in menig opzicht ongebruikelijk. Ze was net die avond met haar man naar een bal masqué op de Amsterdamse kunstenaarssociëteit De Kring geweest. ‘De avond stond in het teken van cartoons. Wij hadden ons gekleed als in een sm-strip. Fantastische avond gehad. Om 4 uur ’s nachts gingen we lallend naar huis. Om 7 uur ging de telefoon. Het was mijn broer. Hij zei: ‘Nel, er is een vervelend voorval: mama is dood.’ Direct onze kleren aan, naar het huis van mijn moeder. Daar lag ze, dood op bed. Hartstilstand in haar slaap. Nadat we de dingen hadden doorgesproken, kregen Nico en ik toch weer enorme zin in drank. Toen ik de keukenkastjes doorzocht, zag ik nog net hoe mijn moeder door de dragers rechtstandig de trap af werd gedragen. Ik heb nog gezegd: ‘Dag mam’, maar voelde er geen enkele emotie bij. Daarna hebben we thuis nog gezellig aan de witte wijn gezeten.’ Uiteindelijk keek ze in de spiegel. ‘Ik bleek mijn feestkleren nog aan te hebben. Gescheurd en wel. We zaten nog onder de schmink en de uitgelopen mascara.’

Een paar dagen later was de crematie. ‘Mijn broer zei: ‘Ik ga niet in die kist kijken, hoor.’ Mijn joodse zusje heeft sowieso niets met doden en open kisten. Ik vond het toch zielig. Mijn moeder was altijd gek geweest op aandacht. Die laatste keer wilde ik haar dat niet ontnemen.’

Dus keek Frijda door het raampje in de kist. Daar lag een wildvreemde dame met witte krullen. Op naar het kantoortje in het uitvaartcentrum, waar een vrouw zat ‘op pumps, met een dikke zadelreet’. ‘Ze keek op de kaartjes van de bloemen: ‘Nee hoor, u vergist zich. Het is uw moeder wél.’ Toen werd ik kwaad. Begrafenisondernemer erbij. Die wilde eerst nog sussen. Maar ik was zó kwaad. ‘Zeg het maar. Ze is zeker al gecremeerd, hè. Klootzak!’ Dat was inderdaad het geval. Toen zijn we naar het café gegaan. We kwamen binnen, begon de jukebox: ‘Moeder, ik kan je niet missen.’ We hebben gegierd van het lachen.’

Een ander zou erom huilen. ‘Nou, wij niet.’

Hebt u wel van haar gehouden? ‘Dat vraag ik me af. Wel van mijn vader. Maar die was onbereikbaar. Hoewel mijn moeder voor mijn joodse zusje heel lief was. Ze is na de oorlog nog wel een jaar lang elke dag naar de Watergraafsmeer gelopen om haar te voeren. Ze weigerde bij haar eigen ouders te eten.’

Haar man Nico Frijda kwam ze tegen op een feestje. ‘Ik vond hem eerst opdringerig. Al had hij wel een mooie open BMW.’ Zeventien jaar waren ze samen. Totdat het niet meer kon. ‘Laatst zat ik ergens toen iemand een Vrij Nederland onder mijn neus schoof. Met een interview met Nico, waarin hij zei dat hij mij slecht had behandeld. Gek, ik begon spontaan te janken. Tegen mij heeft hij dat nooit gezegd.’

Het valt op dat het jodendom zo’n grote rol in uw leven speelt. Is dat toeval? ‘Het is een groot thema.’

Annemarie Grewel, met wie u daarna lang samenleefde, was ook joods, net als Nico Frijda. ‘Blijkbaar zocht ik dat. Ik heb al vroeg gezien hoe mijn ouders hun leven waagden voor joden. Dan gaat onbewust het besef in je zitten: joden zijn bijzonder.’

Ze ontmoette Grewel, de in 1998 gestorven pedagoge die faam verwierf als PvdA-politicus, op De Kring. Voordien was ze nog nooit op vrouwen gevallen. Maar toen ze iemand aan het eind van de avond over Grewel hoorde zeggen: ‘Ze gaat met mij mee’, greep Frijda in. ‘Nee, ze gaat met mij mee.’

‘Daarvoor en daarna ben ik nooit meer verliefd geworden op een vrouw. Ik ben helemaal niet lesbisch. Zelf vond ik het ook raar. Maar ik werd zo verschrikkelijk verliefd op die vrouw. Dat ga je natuurlijk niet uit de weg.’

Wat bond jullie? ‘Je kon ontzettend met haar lachen. We hebben het erg leuk gehad met elkaar. Maar ik kon niet goed tegen haar op. De hele wereld draaide om haar. Blijkbaar trek ik zulke mensen aan. Misschien zoek ik het wel. Opeens was het over. Ik weet wel hoe het kwam: ik ging weer werken. Toen had ze minder aandacht. Kapot was ik ervan dat het misliep.’

Wel bijzonder dat u nu op dezelfde plek zit als zij, de Amsterdamse gemeenteraad. ‘Daar heb ik geen moment aan gedacht. Ik kan me ook niet herinneren dat zij ooit zo druk was. Annemarie is door mij de politiek in gegaan. Ik heb tien jaar in De Rooie Haan gezeten, was enorm politiek bewust.’

Ze woont alweer lang alleen. Tegen haar eigen wens. Zo leuk vindt ze dat niet. ‘Het is een eenzaam bestaan. Ik mis mijn hond, die twee jaar geleden doodging. Sinds haar dood voel ik me nog meer alleen.’ Verliefd wordt ze niet meer. In elk geval komt ze niemand meer tegen die in aanmerking komt. ‘Ik ben niet op zoek. Maar met z’n tweeën is het allemaal zo veel leuker. In je eentje op vakantie is eigenlijk niks. Ik was vorig jaar in New York. In je eentje tussen miljoenen mensen voel je je nog eenzamer. Toen ik door Brooklyn liep zag ik ineens dat Toneelgroep Amsterdam daar speelde. Ben ik ’s avonds gaan kijken. Na afloop durfde ik niet naar ze toe om even gedag te zeggen. Ik ben naar m’n hotel gegaan en heb de volgende dag mijn terugvlucht geboekt.’

U bent 74. Wat laat u straks na? ‘Niks. Mijn kinderen. Ik vind dat ik heel veel niet goed heb gedaan, maar ik vind hen wel geweldig. Het zijn lieve, aardige mensen geworden. Ondanks het feit dat ik ze als moeder te weinig echte aandacht heb gegeven.’ Geëmotioneerd: ‘Jammer toch dat je zulke fouten maakt. Ik had het allemaal zo graag beter gedaan.’ Zacht. ‘Maar ik heb in elk geval altijd veel van ze gehouden.’